Het zijn de kleine verschillen die het hem doen

De zeven schoonheden zijn eigenlijk gewoon afwijkingen of kleine onvolkomenheden.

Toch zijn het juist de ‘foutjes’ in het gezicht die er de schoonheid van bepalen.

‘How does it feel to be one of the beautiful people?’ zongen de Beatles in 1967. Waarschijnlijk voelt mooi zijn goed, want schoonheid loont. Uit het Amerikaanse onderzoek Beauty and the Labor Market uit 1993 bleek al dat knappe mensen gemiddeld 5 tot 10 procent meer verdienen dan hun minder mooie collega’s. Een meta-analyse uit 2000 van 900 wetenschappelijke onderzoeken naar het effect van schoonheid bevestigde het zogenaamde ‘aureooleffect’: mooie mensen worden in het sociale verkeer beter beoordeeld en zijn meer succesvol op de werkvloer.

Toch is er troost voor degenen die niet tot deze groep uitverkorenen behoren. Er is namelijk een alternatieve route naar schoonheid. Heb je misschien een spleetje tussen je tanden, sproeten of kuiltjes in je wangen? Dan bezit je kenmerken van ware schoonheid, gerangschikt in de lijst van de zeven klassieke schoonheden. Waar deze zeven schoonheden precies vandaan komen is een raadsel, maar dat ze genoegzaam bekend zijn, getuigen de vele internetfora waar er gretig over wordt gediscussieerd.

Bijna iedereen heeft ook wel een van die zeven schoonheden, wat het lijstje des te aantrekkelijker maakt. Moeders konden hun kinderen ermee troosten als ze voor een afwijkende gelaatstrek werden gepest. Dat zou juist een van de zeven schoonheden zijn. De lijst lijkt overigens voornamelijk voor vrouwen te zijn opgesteld; geen man die zich snel laat voorstaan op lange wimpers, sproeten of een moedervlekje boven zijn lip.

Toch is er iets vreemds aan de hand, want eigenlijk zijn de zeven schoonheden voornamelijk afwijkingen of onvolkomenheden. Een spleetje tussen de tanden heette vroeger op school een fietsenrek. Iemand met veel sproeten werd uitgemaakt voor sproetenkop. Grote, ronde ogen worden aantrekkelijk gevonden, toch prijkt juist de amandelvormige variant op de lijst van de zeven schoonheden. Om over moedervlekken maar helemaal te zwijgen. Is het niet beter te spreken van zeven lelijkheden?

Naar wat als mooi wordt ervaren in een gezicht is door psychologen en gedragswetenschappers veel onderzoek gedaan. Het begon met een toevallige ontdekking in 1883 door de Britse wetenschapper Sir Francis Galton, die zich bezighield met het maken van compositiefoto’s van veroordeelde criminelen.

Galton wilde typisch criminele gelaatstrekken ontdekken. Daartoe legde hij de negatieven van verschillende foto’s over elkaar heen zodat er een soort gemiddeld gezicht ontstond. Het resultaat verbijsterde hem, want het gezicht op de samengestelde compositiefoto was niet afstotend maar aantrekkelijk. De kleine afwijkingen en ontsieringen van de afzonderlijke gezichten waren verdwenen en het gemiddelde beeld was egaler, symmetrischer en dus ook knapper geworden.

De Amerikaanse onderzoekers Judith Langlois en Lori Roggman traden in de jaren negentig van de vorige eeuw in Galtons voetsporen. Via experimenten met compositiefoto’s toonden ze aan dat gemiddelde gezichten (niet gemiddeld van schoonheid, maar van vorm) aantrekkelijker worden gevonden. Dit verschijnsel wordt met een Grieks woord ‘koinofilie’ genoemd, liefde voor het gemiddelde.

De verklaringen hiervoor lopen uiteen. Volgens sommige onderzoekers duiden gemiddelde vormen op de afwezigheid van afwijkingen en zijn ze daarmee een bewijs van gezondheid, een aantrekkelijke eigenschap. Anderen stellen dat een gemiddeld gezicht ons bekender voorkomt en we nu eenmaal worden aangetrokken door dat wat ons vertrouwd is. Weer anderen menen dat gemiddelde gezichten aantrekkelijker zijn door de grotere symmetrie.

Toch is een té gemiddeld gezicht weer minder aantrekkelijk, ontdekte de Schotse psycholoog David Perrett. In zijn studie werd het gemiddelde van vijftien gezichten knapper gevonden dan het gezicht dat een gemiddelde was van zestig gezichten. Perrett zag dat kleine afwijkingen van het gemiddelde de aantrekkelijkheid van het gezicht verhoogden. Gezichten met iets onderscheidends of karakteristieks kregen de voorkeur boven een volmaakt gemiddelde.

In haar boek Het recht van de mooiste, de wetenschap van mooi en lelijk stelt de Amerikaanse psychologe Nancy Etcoff dat die gemiddelde (dus knappe) gezichten op een vijfpuntsschaal van schoonheid niet verder komen dan een 3 of een 4. Winnaressen van plaatselijke schoonheidswedstrijden of modellen in de goedkopere reclamefolders vallen in die categorie: misschien knap, maar ook onopvallend.

Een volmaakte 5 halen alleen de gezichten die eruit springen, omdat ze een opvallende of afwijkende trek hebben. „De fysieke eigenschappen van topmodellen zijn in geen enkele situatie de norm, behalve op de catwalk of op het witte doek,” aldus Etcoff. Het zijn dus de verschillen die het hem doen. Zo schreef de filosoof Francis Bacon al in de zestiende eeuw: „Er bestaat geen uitmuntende schoonheid zonder de een of andere eigenaardigheid van proportie.”

Wellicht vormt het de sleutel tot het raadsel van de zeven schoonheden. Juist de kleine afwijkingen maken van een gewoon knap gezicht een opvallend knap gezicht. Schoonheidsfoutjes noemen we dat. Denk bijvoorbeeld aan het moedervlekje boven de bovenlip van Cindy Crawford of het spleetje tussen de tanden van Madonna. Alsof de natuur via zo’n kleine onvolmaaktheid een persoonlijke handtekening zet onder haar eigen meesterwerken.

Toch vindt filosoof Jan Bor die opvatting van schoonheid oppervlakkig. Schoonheid is een innerlijke kwaliteit, zegt Bor. „Uiterlijke kenmerken zeggen bijvoorbeeld niets over de uitstraling van de ogen. Ik ontken niet dat schoonheid ook in verhoudingen en proporties ligt, maar uiteindelijk behelst het veel meer. Schoonheid heeft ook te maken met zielsschoonheid, een zuiverheid van iemand.”

Schoonheid is niet vast te leggen, vindt Bor. „Als je op een bepaalde manier kijkt, kun je zeggen dat alles mooi is. Juist ook in het verval ligt een heel grote schoonheid. Een plastic tulp in een vaasje, hoe mooi nagebootst ook, geeft geen schoonheidservaring. Een bloem is het mooist op het hoogtepunt van zijn bloei, want dat kondigt zijn verval aan. Schoonheid heeft ook met dat verval te maken, met tijdelijkheid.”

Dat fysieke schoonheid voordelen oplevert moge duidelijk zijn. Maar maakt het ook gelukkig? Bor meent van niet. „Ik denk dat het heel moeilijk is om altijd op je uiterlijk te worden beoordeeld. Bij het eerste rimpeltje word je al onzeker. Dus nee. Geluk heeft met innerlijke schoonheid te maken. En die kan juist heel onzichtbaar zijn. Socrates is een goed voorbeeld. Hij was foeilelijk, maar toch was hij een gelukkig mens.”