Haastig trekje

Mijn overbuurman van tweehoog verschijnt regelmatig op zijn kleine voorbalkon om een sigaretje te roken. Alleen al daaraan kan ik zien dat hij niet alleen woont. Hij moet een huisgenoot hebben die dringend tegen hem heeft gezegd: „In godsnaam, verlos me van die stank en ga buiten roken.”

Misschien heeft zijn partner er nog aan toegevoegd: „Ik trek het niet meer.” Vroeger zeiden we dat we het niet meer zagen zitten, of dat we er genoeg – misschien zelfs wel tabak – van hadden, maar tegenwoordig trekken we het niet langer. En we kijken erbij alsof we niet begrijpen dat we het nog zo lang hebben kúnnen trekken. We zijn werkelijk doodop.

De overbuurman trekt alleen maar aan zijn sigaret, in z’n eentje op dat balkon. Meestal na het avondeten, maar soms ook onverwacht. Hij posteert zich dan in volle breedte, inhaleert gulzig, blaast in twee wolkjes uit, kijkt naar de straat en ten slotte naar de hemel, waar alle rook uiteindelijk in zal opgaan.

Een paria in eigen huis, maar hij heeft ermee leren leven.

Alleen tijdens sportwedstrijden op de tv, bijvoorbeeld op zondagavond als Studio Sport uitzendt, komt hij in nood. Hij zou dan het liefst binnen onderuitgezakt naar het voetbal kijken met een sigaretje in de mondhoek om het genot te vergroten. Elke keer een trekje als de spanning hem te veel wordt. Hij is zo’n liefhebber die ’s middags geen uitslagen wil horen zodat hij ’s avonds nog verrast kan worden.

Wat te doen? Hij heeft er min of meer een oplossing voor gevonden.

Hij betreedt het balkon met brandende sigaret, neemt haastig een trek, stoot de rook uit en stapt bliksemsnel terug naar de tv in de huiskamer, terwijl hij de rechterhand met de sigaret krampachtig nog net om de hoek van de deur in de buitenlucht houdt. Wij zien de as gloeien. Zo probeert hij van deze twee werelden toch nog het beste te behouden.

Het blijft behelpen. Stel, er moet een strafschop worden genomen. Dat duurt altijd even. Spelers protesteren, de bal moet op de stip – je weet niet hoe lang het precies gaat duren. Je zult zien dat, net op het moment dat je je kop buiten de deur steekt voor dat ene gelukzalige trekje, een speler een strafschop mist die beslissend kan zijn.

Dan maar geen trekje? Ook zonde, want misschien moet die strafschop wel over – dan kost het je een halve sigaret.

Zo sta je als rokende voetballiefhebber van het ene op het andere been te wiebelen, als een junk die graag wil scoren, maar net een tientje te kort komt.

Er is de eenzaamheid van de langeafstandsloper, zoals Alan Sillitoe een van zijn romans noemde, maar ook de eenzaamheid van de verbannen roker.

Waar vindt hij nog rust? Op zijn werk mag het allang niet meer, behalve in een vergeten kamertje waar de heer Longkanker op de beste stoel zit. Ook kan hij in het portiek gaan staan, maar als hij een zij is, begint hij (ja, het wordt ingewikkeld) zich soms een beetje een hoer te voelen.

Kortom, we worden er weer niet echt gelukkiger op. Ook de niet-rokers niet, want zo’n rusteloze partner die zijn kick najaagt en op de meest onverwachte momenten de wijk neemt, blijft een stoorzender.

Waar is-ie nou weer?

Op het balkon.

Kan die tv dan niet uit?

Néé.