Geloof me, ons woonhotel zal geen overlast veroorzaken

In West-Friesland werken nu 6.000 seizoensarbeiders, vooral Polen. Ze wonen veelal in zomerhuisjes of in containers bij de boer.

Dat kon zo niet doorgaan.

Op de hoek van de Veenakkers en de Andijkweg, tussen de kassen en weilanden van tulpenkwekers en bloemkoolboeren, moet het gebeuren: hier komt een woonhotel voor Polen. De tulpenkwekerij en woning van Sjaak Reus staan er vlakbij. Hij zegt: „Dat hotel lijkt mij niet zo’n goed idee.” Natuurlijk, hij heeft zelf ook acht Polen op zijn bedrijf werken. Ze werken graag en dat kun je van Nederlanders niet zeggen. Maar een woonhotel voor 250 Polen, hier op het West-Friese platteland? „Dat zijn er wel heel veel op een kluitje.”

In de gemeente Westland staan al twee van zulke hotels voor Poolse arbeidsmigranten. Uitzendbureau Groenflex liet drie jaar geleden een kantoor verbouwen tot een hotel met 115 kamers. Er wonen nu 320 Polen. Een ander uitzendbureau opende Hotel Westland (131 kamers). De Polen worden ’s ochtends vroeg met busjes vervoerd naar de weilanden, kassen en bloemenveilingen waar ze werken en ’s avonds weer teruggebracht.

Het Westland loopt voorop. Maar ook in Steenbergen, Sint Oedenrode, Peel en Maas, Deurne – in tientallen gemeenten waar veel Oost-Europese seizoensarbeiders werken heeft de gemeente het beleid aangepast, zodat zo’n woonhotel mogelijk wordt.

Het is alsof de klok vijftig jaar wordt teruggezet. Van begin jaren zestig tot 1973 haalden bedrijven als Hoogovens en Billiton duizenden arbeidsmigranten naar Nederland. Eerst Italianen en Spanjaarden, later Turken en Marokkanen. Speciale stichtingen huisvestten hen in oude passagiersschepen en hotels, later in ‘eigen’ flats. Iedereen ging ervan uit dat zij maar tijdelijk in Nederland zouden blijven.

Het gemeentebestuur van Andijk moest íets bedenken, zegt verantwoordelijk wethouder Nico Harteveld. Er werken bijna 6.000 ‘MOE-landers’ (Midden- en Oost-Europa), vooral Polen, in de tuinbouw in deze streek. Nu wonen ze op recreatieparken in caravans en huisjes. „De eigenaren van die huisjes verhuren ze door en verdienen daar goed mee. Maar toezicht is er niet.” De gemeente, zegt Harteveld, „gaat nu handhaven op de recreatieve functie” van die parken. Want voor echte recreatie blijft er zo geen ruimte over.

De Polen wonen ook in containers op het erf van de agrariërs, tot twintig man per bedrijf, en in huurhuizen in de dorpen. „De bewoning van huurhuizen kunnen we reguleren door maxima te stellen aan het aantal bewoners”, zegt wethouder Harteveld. „Maar op de omstandigheden in wooncontainers bij boeren hebben we weinig zicht.”

De gemeente kan dit allemaal wel verbieden, maar dan moet ze een alternatief bieden. Want de lokale economie is afhankelijk van de Polen. Het woonhotel, dat 300 Polen zal huisvesten, is volgens hem zo’n alternatief. Harteveld: „Het wordt een aantal boerderij-achtige gebouwen bij elkaar. Een soort dorpje. Dat is niet lelijk hoor.”

Op het West-Friese platteland is het Poolse arbeidslegioen overal te zien. Bij veel boerderijen staan Poolse auto’s geparkeerd. Sommige bewoners hebben op het erf hand geschilderde bordjes opgehangen met de tekst: No work. Dan wordt er tenminste niet steeds aangebeld.

Tulpenkweker Sjaak Reus betwijfelt, net als veel omwonenden, of het een goed idee is om grote groepen arbeidsmigranten samen te huisvesten, buiten de dorpskernen. „Ze werken hard, maar vervelen zich ’s avonds. Ze zijn vrijgezel of hebben de vrouw achtergelaten in Polen. Dan gaan ze drinken”, zegt hij. Overmatige alcoholconsumptie is een kwestie die consequent opduikt in raadsverslagen over overlast van seizoensarbeiders.

Toch heeft Erik Zantingh, directeur van Uitzendbureau Groenflex, het zijn Poolse werknemers goeddeels afgeleerd om te veel te drinken. Dat deed hij door elke maandagochtend een blaastest af te nemen. Wie meer dan 0,5 promille alcohol in het bloed heeft, moet op eigen kosten thuisblijven die dag. Bij 1,5 promille wordt de man teruggestuurd naar Polen. „We doen de blaastest alleen nog af en toe, want de meesten weten het nu wel”, zegt hij.

Overlast is volgens Zantingh geen issue bij het hotel van Groenflex in Wateringen, omdat er dag en nacht een beheerder zit. Het gebouw staat in een industriegebied, dus omwonenden zijn er ook niet. „Maar zelfs al stonden we middenin de stad, dan zou ons hotel geen overlast veroorzaken.”

In heel Nederland waren er vorig jaar op elk willekeurig moment 160.000 seizoensarbeiders aan het werk uit de MOE-landen en vooral uit Polen. Dat haalde socioloog Godfried Engbersen, expert op het gebied van migratie, uit bestanden van de UWV, die de afdracht van premies per werknemer bijhoudt. Hij spreekt van de „permanente tijdelijkheid”. „We hebben te maken met een nieuwe integratiekwestie: bepaalde streken en sectoren zullen altijd tijdelijke buitenlandse werknemers in huis hebben.” Als de Polen te duur worden, zegt Engbersen, dan zullen de Oekraïners komen.

Opvallend, zegt Engbersen, is dat veel van de Polen jong zijn en hun geluk proberen in verschillende Europese landen. Van Ierland trekken ze naar Engeland en dan door naar Nederland. Ze hebben nog geen kinderen en hoeven evenmin geld terug te sturen naar familie in Polen. Het is voor hen een avontuur.

Engbersen vindt het goed dat er een flexibele infrastructuur ontstaat voor deze passanten, in de vorm van woonhotels. „Het zijn vooral bedrijven en woningbouwcorporaties die dat ontwikkelen, niet de overheid.”

In de West-Friese praktijk blijkt dat ook: Jos Botman, die een bouwbedrijf heeft in de gemeente Wervershoof, wil met zijn bedrijf een tweede Polenhotel bouwen. De beoogde locatie in het centrum van Hoogkarspel is een paar weken geleden afgeschoten door de gemeente maar hij werkt nu aan een nieuwe plek, zo vertelt hij, want vraag is er wel.

Uit een enquête onder 900 Polen, verspreid door de Erasmus Universiteit vorig jaar, bleek dat 14 procent zegt altijd in Nederland te willen blijven, 55 procent zegt op termijn te vertrekken en 31 procent zegt het „niet te weten”. Engbersen: „Dat kunnen die jonge mensen zijn die in elk geval geen gezin in Polen hebben om naar terug te gaan.”

Zijn de woonhotels het begin van nieuwe achterstandswijken, op het platteland, waar grote groepen burgers blijven wonen die niet integreren? Engbersen vermoedt van niet. „Hun opleidingsniveau is gemiddeld hoger dan dat van de Marokkanen en Turken die hier naartoe werden gehaald. En het zijn Europeanen. Ze zullen makkelijker integreren. Als ze al besluiten om te blijven.”