Een terrorismebestrijder die het ook niet altijd weet

Bijna onopgemerkt is Erik Akerbooms eerste jaar als Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding voorbijgegaan. Dat past bij hem: geen lawaai maken, de troepen mee krijgen.

Een Fries die carnaval viert – en het nog leuk vindt ook. Erik Akerboom kreeg, toen hij in 2003 korpschef werd van Brabant-Noord en naar het zuiden verhuisde, vijf tassen carnavalskleding. Een voor elk lid van het gezin. Het eerste jaar wist de politiechef niet wat hij meemaakte bij de carnavalsmis in de kerk. Vol verwondering keek hij om zich heen, ingeklemd tussen een kip en een konijn. Inmiddels is de import-Brabander aan carnaval verknocht geraakt. Getooid in de traditionele boerenkiel is hij ieder jaar in de kroegen van Den Bosch te vinden.

Maar hossen in de polonaise, dát doet hij niet. Akerboom is rustig en serieus, zeggen mensen in zijn directe omgeving. Hij is sociaal, maar geen gangmaker. Hij hoeft niet zo nodig in de schijnwerpers te staan. Dat hij toch opvalt, komt door zijn lengte en uitstraling. Hij is 1 meter 97 en heeft een vriendelijk en onberispelijk voorkomen.

Donderdag is het precies één jaar geleden dat Erik Akerboom (48) werd benoemd tot Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb). Hij maakte een roerig eerste jaar door. De nasleep van de vermeende terroristische aanslag op de woonboulevard in Amsterdam, twee weken voor zijn aantreden, hield hem vanaf zijn eerste werkdag bezig. Nog in zijn eerste maand probeerde Karst T. op Koninginnedag een aanslag te plegen op de koninklijke familie. En afgelopen Kerstmis wilde een Nigeriaan tijdens zijn vlucht van Amsterdam naar Detroit het vliegtuig opblazen.

Ondanks deze incidenten en de blijvende aandacht voor terrorisme, geniet Akerboom amper landelijke bekendheid. Hij behoort tot de ambtelijke top van Nederland, maar treedt tot nu toe weinig op de voorgrond. Wie is deze man?

Zijn hele werkzame leven staat in het teken van criminaliteits- en terrorismebestrijding. Nadat hij in 1986 de Politieacademie had afgerond, startte Akerboom zijn loopbaan bij het politiekorps in Utrecht. Hij begon als medewerker van korpschef Jan Wiarda, en klom in hoog tempo op tot chef wijkteam van de Utrechtse binnenstad, districtschef en hoofd van de regionale rechercheondersteuning. In 1998 vertrok hij naar de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD), waar hij zich als directeur Democratische Rechtsorde bezighield met de bestrijding van terrorisme en radicaliseringstendensen. En na ruim vijf jaar als korpschef in Brabant-Noord , volgde hij een jaar geleden Tjibbe Joustra op als NCTb.

Hoewel zijn werk zich naar Den Haag heeft verplaatst, is Akerboom in Boxtel blijven wonen. Dat heeft hij zijn gezin beloofd. Zijn chauffeur Mike rijdt hem elke dag heen en weer. Akerboom zetelt in een ruime werkkamer op de 25ste verdieping van de Hoftoren. Bij helder weer ziet hij de schepen voor de kust bij Scheveningen. Dat vindt de man die voorbestemd was om de scheepswerf van zijn vader over te nemen prachtig.

Erik Stevan Maria Akerboom, die in 1961 in het Zuid-Hollandse Lisse werd geboren, groeide op als jongste in een gezin met drie kinderen. Zijn vader begon in 1962 een scheepswerf voor luxe jachten in Burgum, een dorpje in de Friese gemeente Tytsjerksteradiel. Zijn moeder was huisvrouw. Het katholieke gezin ging iedere zondag naar de kerk en daarna boten kijken op de scheepswerf.

Akerboom zat op het lyceum in Drachten, vijftien kilometer verderop. Daar hockeyde hij ook, bij de Graspiepers. Hij was goed, speelde later bij de nationale jeugdselectie. Na het vwo ging hij bedrijfskunde studeren in Groningen. Met zijn zes jaar oudere broer, die op de Technische Universiteit in Delft zat, zou hij de werf overnemen. Peter, de handige van de twee, zou zich richten op de technische kant, Erik op het ondernemerschap. Maar toen hun vader om gezondheidsredenen stopte, besloot Erik iets heel anders te gaan doen. Bedrijfskunde inspireerde hem maar matig, de politiewereld leek hem interessant – met name het dilemma dat je soms geweld moet toepassen om het te bestrijden. Zijn keuze viel op de Politieacademie.

Daar viel de bedachtzame en serieuze student al snel op. „Erik was iets ouder dan de rest, en hij stak letterlijk met kop en schouders boven de anderen uit”, vertelt studiegenoot Gerrit van der Burg, inmiddels benoemd tot hoofdofficier van het landelijk parket.

In het tweede jaar van de Politieacademie betrok Akerboom met vijf vrienden een woning in Apeldoorn. Bert Wijbenga, nu korpschef in Flevoland, was een van hen. „Erik had al op kamers gewoond en had dus ervaring. Hij kookte regelmatig voor ons. Spaghetti carbonara met champignons, prei, Boursin en spek.”

De vriendengroep is nog even hecht, vertelt Wijbenga. Vorig jaar hebben de mannen de Alpe d’Huez beklommen. Ideetje van Akerboom. Wijbenga: „Hij zei: we lopen tegen de vijftig, laten we een doel stellen om te bewijzen dat we nog bestaansrecht hebben.” Hoewel de reacties aanvankelijk cynisch waren – „och, och, Erik is in de penopauze” – kwam het er wel van. Er werden fietsen gekocht, er werd getraind. Uiteindelijk bereikten vier van de vijf de top.

Het programma voor volgend jaar is niet fysiek, maar mentaal zwaar: Auschwitz, het concentratiekamp waar in de Tweede Wereldoorlog ruim een miljoen Joden werden omgebracht. Wijbenga: „Er zullen een hoop emoties loskomen. Zulke activiteiten houden een vriendschap levend. Je moet samen iets meemaken.”

Met zijn vrouw Heleen, met wie hij al sinds de middelbare school samen is, en hun drie kinderen maakt Akerboom ’s zomers verre reizen. Naar Maleisië, de VS, of op safari naar Tanzania. Wijbenga: „Ze hebben er heel bewust voor gekozen veel geld te spenderen aan het opdoen van mooie ervaringen met hun kinderen. Elke reis is een belevenis. Een cadeau voor altijd.”

Akerboom hecht aan een goede relatie met collega’s, of dat nu ministers, (hoge) ambtenaren, agenten of secretaresses zijn. Als korpschef hield hij de vrijdagen zo veel mogelijk vrij om met dienders de straat op te gaan. „Hij was heel toegankelijk en zorgde voor een open sfeer”, zegt Wilbert Paulissen, plaatsvervangend korpschef in Brabant-Noord. „Agenten hadden het niet over ‘de’ korpschef, maar over ‘onze’ korpschef.”

Als groentje bij de AIVD ontdekte Akerboom, die bekendstaat om zijn openheid, hoe het is om in schemergebied te werken. „De VPRO bracht een analyse van hoe wij met de Öcalan-kwestie [de Koerdische PKK-leider die in 1999 Nederland wilde bezoeken] waren omgegaan. Het verhaal klopte voor geen meter. Ik was getergd, maar mijn collega’s lachten erom. Zij vonden het schitterend.” Een vreemde gewaarwording voor de politieman, die gewend was álles in de openbaarheid te moeten brengen. „Bij de AIVD moest je zicht krijgen op het onzichtbare en je methode beschermen in plaats van blootleggen.” Hij vond het moeilijk zo te denken, zegt Akerboom nu. In zijn AIVD-tijd pleitte hij voor meer openheid en interactie met andere instanties én de samenleving. „Je krijgt meer mensen mee door te delen, niet door alles geheim te houden.”

Zijn kracht om mensen met elkaar te verbinden is een van de redenen dat hij werd gevraagd als opvolger van Joustra. De twee zijn tegenpolen. „Erik is wars van wat er op die vierkante kilometer in Den Haag gebeurt. Hij is meer korpschef dan bestuurder”, zegt Dick Schoof, directeur-generaal Veiligheid bij Binnenlandse Zaken. „Joustra had moeite de troepen mee te krijgen. Maar hij weet weer als geen ander hoe je in Den Haag dingen voor elkaar krijgt.”

Rasbestuurder Joustra, jarenlang secretaris-generaal op Landbouw, was de aangewezen persoon om de NCTb ‘op de kaart zetten’ bij de oprichting in 2004. Doel was de samenwerking te verbeteren tussen de circa twintig instanties die betrokken zijn bij de bestrijding van terrorisme. Maar die opzet stond van meet af aan onder grote druk door het lastige krachtenveld: de NCTb valt onder de ministers van Justitie én Binnenlandse Zaken. Dit laatste departement zag de nieuwe organisatie als een inbreuk op zijn centrale taken: openbare orde, veiligheid en crisisbeheersing. De veiligheidsdiensten vonden dat de NCTb zich ten onrechte met allerlei zaken bemoeide.

Inmiddels zijn de fundamentele discussies grotendeels achter de rug en wil de NCTb zich focussen op samenwerking met de andere diensten. Die klus is voor Akerboom. Zijn goede contacten binnen de politie en de inlichtingendiensten zijn van grote waarde.

Hij heeft zich razendsnel ingewerkt, zegt Theo Bot, plaatsvervanger bij de NCTb en daarvoor tweede man bij de AIVD. Hij benadrukt het belang van de operationele ervaring die Akerboom bij de politie heeft opgedaan. „In crisissituaties blijft hij de rust zelve. Hij zal nooit schreeuwen of overspannen reageren. Zelfs in de grootste hectiek heeft hij het geduld om ook de mensen die wat trager zijn rustig te laten uitspreken.”

Anderen herkennen dat beeld. Wat er ook gebeurt, de strateeg Akerboom houdt altijd z’n hoofd erbij. Hij blijft kalm en beheerst.

Akerboom is een natuurlijk leider, vinden zijn (oud-)collega’s. „Hij weet mensen voor zich te winnen”, zegt Ruud Bik, hoofd van het Korps Landelijke Politiediensten. „Dat gaat vanzelf, omdat hij zijn kwetsbaarheid toont. Hij durft soms gewoon te zeggen dat hij iets niet weet.” Hij is een diplomaat, die bij iedere gesprekspartner de juiste toon weet aan te slaan. En hij kan goed luisteren. Theo Bot: „Hij is niet te beroerd om advies te vragen.”

Akerboom is onomstreden. Hij heeft geen vijanden en wordt vaak de „ideale schoonzoon” genoemd. Rombouts noemt hem „een gentleman politieofficier: een heer te midden van de boevenvangers”.

Mensen hebben moeite om iets kritisch over Akerboom te zeggen, zo blijkt ieder gesprek opnieuw. „Áls ik dan een punt van kritiek moet noemen”, is een veelgehoorde opmerking, nadat er eerst een stilte is gevallen, „is het dat hij zich wat meer zou moeten profileren.” Ofwel: hij is te bescheiden.

Bij zijn afscheid in Den Bosch zei burgemeester Tom Rombouts over hem: „Nooit schreeuwend, nooit de borst vooruit: hier ben ik.” Bert Wijbenga beaamt dat profilering niet het sterkste punt is van Akerboom. „Als je voor een klus een hemelbestormer zoekt, iemand met haar op zijn tanden die naar iedereen gromt, dan moet je niet Erik vragen. Ieder zijn eigen kracht.” Rombouts: „De keerzijde van de ideale schoonzoon is dat hij per definitie niet het prototype crimefighter is.”

Hij zal nooit een schreeuwer worden, zegt Gerrit van der Burg, dat zit niet in hem. „Maar als hij ooit korpschef wordt van een randstedelijk korps, zal hij voor de troepen uit moeten lopen.”

Oud-korpschef Wiarda vindt dat Akerboom het spel goed speelt. „Erik profileert zich heus wel. Maar niet lawaaiig. Dat is verstandig, want als het lastig wordt, kiezen ministers of andere hoge heren voor degene die ze het meest vertrouwen. Niet voor de egotripper.”

De burger moet niet worden vermoeid met onnodig verontrustende verhalen van de NCTb, erkent minister Ernst Hirsch Ballin van Justitie (CDA). „Erik is overal zichtbaar geweest waar hij zichtbaar moest zijn. Iedereen weet dat ze op hem kunnen rekenen. Dat is het belangrijkst. En daarmee verbleekt voor mij de vraag hoe vaak zijn foto in de krant prijkt.”

Alle ondervraagden vinden dat het einde van Akerbooms carrière nog lang niet in zicht is. Maar hun mening verschilt over zijn toekomst. Wijbenga: „Erik kickt niet op status. Hij is een nuchtere vent. Geen carrièrejager die koste wat kost de hoogste functies wil bekleden.” Hij zou verder kunnen gaan in het politiek-bestuurlijke domein. Al hopen sommigen vurig dat hij terugkeert naar de politie. „Hij heeft het in zich om het gezicht te zijn van de Nederlandse politie”, zegt Wilbert Paulissen. Dick Schoof: „Hij is hét talent van de Nederlandse politie.”