Altijd maar dat gevecht tegen angst

De 24-jarige zwemster Inge Dekker is gewend aan het winnen van medailles.

Maar wedstrijdzenuwen maken elke finale voor haar opnieuw tot een marteling.

In december won ze nog vijf gouden medailles bij de EK kortebaan. Ze is olympisch kampioen (Peking 2008) en wereldkampioen (Rome 2009) op de estafette, wereldrecordhouder bovendien. En toch wordt Inge Dekker (24) nog steeds misselijk als ze een finale moet zwemmen. Alleen al de gedachte. Elke keer weer. In juni vorig jaar, tijdens de open Franse kampioenschappen in Parijs, vond ze het welletjes. Op zondagochtend, na de series, pakte ze haar spullen bij elkaar. „Toen ben ik met mijn vriend de Eiffeltoren gaan bekijken. Ik dacht: ik wil gewoon niet meer.”

Wedstrijdzenuwen waren niet nieuw voor haar. Als kind had ze al het gevoel dat ze naar de galg werd geleid. Opvallend was dat haar angsten bleven, zelfs toen ze gouden medailles ging winnen. Vrijdag versloeg ze in Amsterdam nog wereldrecordhoudsters Sarah Sjöström op de 100 vlinder na een zenuwslopend gevecht – vooral met zichzelf. „Ik heb veel gewonnen, maar je moet het wel leuk vinden.”

Vorig jaar overwoog Dekker serieus te stoppen vanwege haar angsten. „Ik vond het frustrerend dat ik door mijn zenuwen niet kon doen wat ik wilde doen. Elke keer. Ik vond het helemaal niet leuk om wedstrijden te zwemmen. Maar daarvoor train je juist zo hard.”

Toch besloot ze mee te doen aan de WK langebaan in Rome, waar ze met Marleen Veldhuis, Ranomi Kromowidjojo en Femke Heemskerk de wereldtitel won op de estafette (4x100 vrij). „Het zit niet in me om niet te zwemmen. Ik heb na de WK heel goed nagedacht. Ik wilde toch doorgaan.”

Wel concludeerde ze na haar „dip” in Parijs dat ze toe was aan iets anders. Ze stapte over van coach Jacco Verhaeren naar Marcel Wouda, die in hetzelfde bad in Eindhoven traint met een groep. „Het was belangrijk van omgeving te veranderen. Andere groep, andere trainer. Dan ga je weer fris het seizoen in. Dat was nodig.”

Verhaeren treft geen blaam, zegt Dekker. „Het had niets met hem te maken, meer met mezelf. Jacco probeerde me te laten ontspannen, maar ik was niet voor rede vatbaar. Je kon alles tegen me zeggen voor de wedstrijd, ik geloofde het gewoon niet.”

Dekker, zelf studente psychologie, stapte verschillende keren naar sportpsychologen om de terugkerende worsteling met haar zenuwen te bedwingen. Na de WK in Melbourne (2007) kwam ze terecht bij Wim Keizer en in de aanloop naar de Olympische Spelen in Peking kreeg ze daadwerkelijk het gevoel dat het beter ging. Vorig jaar zocht ze ook sportpsycholoog Rico Schuijers op „voor een heel traject”, zoals ze het uitdrukt. „Ik kan me nu beter aan mijn opdracht houden, ook al schiet ik in de stress.”

Dat lukte in elk geval tijdens de EK kortebaan in Istanbul, eind vorig jaar, waar ze drie individuele nummers won. „Ook voor de finale van de 100 vrij was ik weer zo zenuwachtig dat ik eigenlijk niet wilde zwemmen. Dan denk ik: ik wil gewoon niet. Dan ben ik bang om te racen, bang voor het resultaat.”

Met overzichtelijke opdrachten haalt coach Marcel Wouda de druk van de ketel. „Hij zegt: ‘Ik wil dat je je focust op de start en op de eerste 25 meter. Als je dat goed doet, ben ik tevreden.’ Kijk, daar kan ik iets mee. De rest komt dan vanzelf. Als ik goud win, zoals in Istanbul, voel ik eerst ongeloof. Ik had er eigenlijk niet meer op gerekend. Naderhand was er het gevoel: zie je wel, ik kan het heus wel. Dat was ook hard nodig.”

Waar het vandaan komt weet Dekker niet precies. Het begon al op jonge leeftijd. „Ik heb een paar keer een finale zelf verknald. Dan ga je twijfelen.”

Ze sprak er wel eens over met Pieter van den Hoogenband, met wie ze trainde bij Verhaeren. Voor hem was het zwemmen van een finale als pakjesavond voor een kind. „Ik snap nog steeds niet hoe dat kan. Ik loop het liefst weg bij de finale. Het liefst zwem ik alleen de series. En dan een eindklassement opmaken. Maar dan word ik weer zenuwachtig voor de series.”

Toch staat ze er in augustus weer, bij de EK langebaan in Boedapest. Ze plaatste zich voor de 50 en 100 vlinder en de estafettes. „Ik ga daar echt niet iets anders doen. Het verschil is dat ik me erbij neerleg dat ik in de stress schiet. Daar moet ik maar mee omgaan. De gedachte dat ik wil stoppen heb ik niet meer. Ik train weer met plezier. Maar wedstrijden zijn nog steeds niet mijn favoriete ding.”