Alleen op het voetbalveld is Irak nog één als natie

Iraakse politici kunnen bij coalitieonderhandelingen een voorbeeld nemen aan het jeugdelftal, zegt de coach. „Sunniet of shi’iet, hier telt alleen kwaliteit.”

Hoog boven de hoofden van de voetballers van Iraks nationale jeugdteam zwermen Amerikaanse Black Hawks en Apachehelikopters – klaar voor een schietpartij in een aanpalende wijk. Ze schieten eerst flares, vuurpijlen met een rookpluim, die lange witte slingers achterlaten in de strakblauwe hemel.

Het vuurwerk ontgaat de spelers. Ze kunnen het iedere dag zien en alles wat nu telt, is hun tred die licht is vandaag, lichter dan hij in maanden is geweest.

Sinds november zijn ze op dit vergeelde veldje bij het Shaab-stadion in Bagdad doorgegaan met hun sit-ups, met balletje hooghouden en rondjes rond het veld lopen. Maandenlang was het even vermoeiend als zinloos, omdat ook het voetbal, zélfs het voetbal, werd gegijzeld door de politiek van Irak die het leven buiten de muren van het stadion vaak uitzichtloos maakt.

Een machtsstrijd tussen de voetbalbond en sportbestuurders van de regering liep zo uit de hand dat de wereldvoetbalbond (FIFA) besloot Irak, de onverwachte kampioen van de Aziëcup in 2007, van deelname aan alle internationale toernooien uit te sluiten. „Dat krijg je ervan als onze eerste stelregel wordt overtreden: geen politiek op het veld”, bromt de trainer van het nationale jeugdteam, Hassan Ahmed. Vorige week draaide de FIFA het besluit terug. Irakese clubs mogen weer meedoen, de belofte van dit jeugdteam herleeft.

Het voorgaande gekrakeel lijkt onbetekenend in vergelijking met de grote vraagstukken van dit land: een regering vormen in een periode van politieke onzekerheid na de nipte overwinning van oud-premier Iyad Allawi bij de recente parlementsverkiezingen, de aanstaande terugtrekking van de Amerikaanse troepen, de verdeling van de olie.

Voetbal is ook in Irak de belangrijkste bijzaak van het leven. Maar de trainer en zijn spelers zijn van één ding overtuigd: „De formule van een nieuw Irak hebben wij in handen”, zegt Hassan Ahmed. „Politici kunnen van ons leren, niet andersom.” Het voetbalveld is volgens hem de enige plek in dit land waar de Iraakse sunnieten, shi’ieten, Koerden en christenen het onmogelijke laten zien: samenwerken, coalitievormen. Precies zoals na de parlementsverkiezingen van 7 maart van politici wordt verlangd.

Alleen de bestuurders van het voetbal hebben moeite die formule te begrijpen. Afgelopen november vielen gewapende mannen in gepantserde auto’s het hoofdkantoor van de Irakese voetbalbond binnen. Dat gebeurde in opdracht van het Iraaks Olympisch Comité, dat onder toezicht stond van de toenmalige regering, gedomineerd door shi’ieten.

Over de achtergrond van de coup lopen de meningen uiteen. De voetbalbond wordt geleid door een sunniet, de ooit populaire spits Hussain Saeed. Hij is besmet, vinden sommigen. Saeed was al bestuurslid in de tijd van Uday Hussein, de oudste zoon van Saddam, die als een koning over het Iraakse voetbal regeerde. Uday Hussein bepaalde wie werd opgesteld en wie gestraft moest worden na tegenvallende prestaties.

De huidige voorzitter Saeed was daar jarenlang getuige van en dus is hij medeplichtig, zegt de een. „Hij kon er niets aan doen, de enige die wat te zeggen had, was Uday”, zeggen sportjournalist Adnan Zafta en ook anderen.

Volgens de verslaggever is het grootste probleem met Saeed dat hij na de Amerikaanse invasie als balling in Jordanië is gaan wonen, bang te worden vermoord zoals met andere sportbestuurders in Irak is gebeurd. „Veel sporters vroegen zich af waarom hij te bang is om in Irak te zijn, terwijl de sporters de veiligheidsrisico’s voor lief moeten nemen.”

Saeed weigerde verkiezingen te organiseren voor het bestuur van de bond. Te gevaarlijk, zei hij dan. Dat bleef moeilijk vol te houden, nadat het land in de afgelopen vijf jaar vijfmaal naar de stembus ging, de laatste keer begin deze maand. De voetbalbond belooft nu in april verkiezingen voor het bestuur te houden. De coup door de regering is teruggedraaid, en de FIFA accepteert Irak weer in zijn gelederen.

„Het is zoals met alle politiek in dit land”, zucht verdediger Ebrahim Sabri (18), druk met rekoefeningen in de fitnessruimte. „Het gaat ze om de macht, om het geld. Maar niet waar het werkelijk om zou moeten gaan: ons, de spelers. Wij, het volk.” Je mag hem vragen wat hij is: sunniet, shi’iet of Koerd. Hij zal geen antwoord geven. „Ik ben moslim”, zegt hij. „De rest doet niet ter zake.”

Dat hoor je vaker in de straten van Bagdad dezer dagen. Na zeven jaren van bloedig sektarisch geweld zijn Irakezen de etiketten zat. De verdeeldheid is een erfenis van de koloniale tijden die na de val van Saddam herleefden, met rampzalige gevolgen. Het voetbalveld werd daardoor een enclave, de enige plek waar Irak nog één is als een natie.

De liefde voor het voetbal is onaantastbaar in Irak. Zelfs de tientallen extremistische groeperingen die in Irak opereren, lijken dat idee te respecteren. Voetbalwedstrijden bleven in alle jaren van geweld de aanslagen bespaard die alle andere openbare plekken keer op keer vernietigden.

„Op een dag liepen hier milities het veld op met de eis dat ik een speler uit hun wijk zou opstellen”, vertelt de coach. „Ik heb ze gezegd dat ik daar niet aan kan beginnen. sunniet, shi’iet, Koerd of christen, het interesseert me niet wie of wat je bent. Hier tellen alleen je kwaliteiten. Als ik een bal speel naar een ander doe ik dan in de hoop samen een goal te maken. Politici verdelen. Wij brengen samen.”