'Voor kinderen is deze wereld warrig'

Kinderboekenschrijver Daan Remmerts de Vries toont zijn illustraties op de tentoonstelling ‘Blote beer en nog véél meer’: „Ik wil een beetje troost bieden.”

„Het meest blij ben ik met deze”. Daan Remmerts de Vries (47) toont een van de twee vitrinetafels in de zaal van het Gemeentemuseum Den Haag waar een selectie van zijn kinderboekenillustraties hangt: collages uit Droomkonijn, de wit-zwarte linosnedes uit Zippy en Slos, de uitbundige tekeningen uit Blote beer. In de vitrines ligt wat Remmerts de Vries zijn „meest pure en eerlijke” werk noemt: een aantal schets- en ideeënboeken, veelal opengeslagen op pagina’s waarop hij dieren tekende en schilderde. Dieren zijn een constante in zijn prentenboeken. In Meneer Kandinsky was een schilder, dat hij in opdracht schreef bij de Kandinsky-tentoonstelling in het museum, gaf hij de schilder een blauw paardje als muze. De illustraties hangen hier naast Kandinsky.

U legt in ‘Meneer Kandinsky was een schilder’ in beeld en tekst uit hoe Kandinsky tot zijn abstracte werk kwam. Hoe kwam u op het idee?

„Ik werd gevraagd door het museum en uitgeverij Leopold. En ik wist vrij snel wat ik wilde vertellen. Ik wist ook wel waar ik het over kon hebben omdat ik mij tijdens mijn lerarenopleiding tekenen en handvaardigheid had verdiept in de correspondentie tussen Kandinsky en componist Arnold Schönberg. Kinderen begrijpen abstracte kunst doorgaans niet. Let maar eens op, in een museum rennen ze onmiddellijk naar levensechte dingen want dat herkennen ze. Ik heb in het boek werk van Kandinsky verstopt, zodat ze dat later kunnen terugvinden in de grote tentoonstelling. Het idee van het paardje dat Kandinsky dingen influistert kreeg ik om vijf uur ‘s ochtends, op een prachtige dag in Frankrijk. En toen ik dat had opgeschreven, kwam er een vos langs. Is dat geen mooi mythisch verhaal?”

U vertelde ooit dat u drie keer per nacht opstaat om ideeën op te schrijven. Doet u dat nog steeds?

„Sinds ik vader ben geworden is het wel minder. Ik probeer nu soms in mijn halfslaap te repeteren welke ideeën ik heb zodat ik ze kan reconstrueren als ik opsta. Ik heb ook een tijdje een memo-recordertje gebruikt, maar een keer hoorde ik toen ik dat ’s morgens afspeelde alleen maar hwbzhwbzhwbzhwbz. Ik had echt geen idee meer wat ik had gezegd.”

Uw prentenboeken staan vol dieren. Waar komt die voorliefde vandaan?

„Die is er altijd geweest. Toen ik vier of vijf was ging ik vaak op m’n driewieler naar de lagere school in de buurt om te kijken naar een snoek die onder goudkleurige verlichting in een aquarium dreef. Dat duurde dan tot een leraar mijn moeder belde: hij staat er weer hoor. Ik ging ook naar een tuin met een volière en ook dan werd mijn moeder gebeld: hij staat er weer. Ik was bovendien lid van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurliefhebbers. En in dagboeken uit mijn jeugd gaat het bijna alleen maar over dieren die ik op vakanties gezien heb. Terwijl er toch het nodige gebeurde op die vakanties, maar over bijvoorbeeld de twisten van mijn ouders schreef ik niet.”

Was het een vlucht, zoals de jongen in uw boek ‘De ontdekkingsreizigers’ vaak in de gangkast kruipt als zijn ouders ruzie hebben?

„Er zit wel wat van mezelf in dat boek ja.”

U gaat ook op reis om dieren te zien?

„Ik wil dieren in het wild zien, voordat ze zijn uitgestorven. Tijgers in India, reuzenhaaien bij Isle of Man. Ik zou graag nog een keer naar Groenlandse walvissen gaan kijken. Van die laatste zijn nog twee kleine populaties en daarvan zijn waarschijnlijk maar twee vruchtbare vrouwtjes. Over tien, vijftien jaar zijn ze er niet meer. Ik vind het wel vreemd zoals daar in kranten over wordt bericht: dan staat er in zó’n stukje dat de helft van de zoogdieren binnen tien jaar zal zijn uitgestorven en daarnaast dan een paginagroot verhaal over Gerard Joling. Maar dat kleine berichtje jaagt mij de stuipen op het lijf. Mijn God, waar moet ik nog naar toe, denk ik dan, of: in wat voor wereld moet mijn dochter van 2,5 straks leven? Er is steeds minder natuur en ruimte, zeker in Nederland.

„Een van de dingen die ik met mijn boeken wil is een beetje troost bieden, de troost van de filosofie. Zoals in Godje. Je moet iets geloven, anders is de wereld alleen maar wat je ziet. De wereld is vaak een warrige plek voor kinderen. Maar je moet vertellen dat er vragen zijn en dat die best leuk kunnen zijn. Ik ben kinderboeken gaan schrijven omdat ik verhalen wilde vertellen die ik zelf vroeger niet tegenkwam, bijvoorbeeld over mensen die een beetje buiten de werkelijkheid staan en dingen uitzoeken. En het moet een beetje lól hebben. Zoals Blote beer, daar moet iedereen om lachen, dat boek is mij heel dierbaar.”

Ziet u een ontwikkeling in uw werk als u terugkijkt op uw twintig jaar als schrijver en illustrator?

„Vooral dat ik van groot naar klein ben gegaan. Uitgevers zijn meestal niet gesteld op al te grote afbeeldingen, omdat daar dan eerst dure foto’s van moeten worden gemaakt. En ik ben kleuriger gaan werken. Mijn eerste boek Zippy en Slos was in zwart-wit. Ik hou van zwarte vlakken, maar mensen houden nu eenmaal van kleur.”

Hoe zit het dan met authenticiteit?

„Nou, ik geloof wel dat ik authentiek genoeg ben gebleven. Maar als je alles alleen maar voor jezelf maakt, kom je nergens. Ik kreeg vroeger wel de kritiek dat mijn boeken elitair zouden zijn. Daar werd ik dan nijdig van. Mijn boeken zijn niet elitair, vind ik, en bovendien: boeken die iets verder en dieper gaan moeten er ook zijn. Het is een rare misvatting dat alles voor iedereen toegankelijk moet zijn. Dan liggen er straks alleen nog maar stapels Kluun en Heleen van Royen. Wat ik niet hoop.”

U kreeg een gouden griffel voor uw boek ‘Godje’ en een zilveren voor ‘De Noorderwindheks’. U heeft gezegd dat u de tentoonstellingen in het Gemeentemuseum een erkenning voor uw illustraties vindt. Voelt u zich miskend omdat die nooit zijn bekroond?

„Een beetje wel. Ik maak mooie dingen, vind ik. Prijzen zijn ontzettend belangrijk voor de bekendheid en verkoop van je werk. Ik vind het vervelend maar ik moet accepteren dat het zo werkt. Ik moet er van leven, toch ook niet onbelangrijk. Als ik voor een schoolklas vertel dat ik aan één boek 1,50 euro verdien, is dat vaak een dikke teleurstelling voor zo’n klas. En voor mezelf ook wel een beetje.”

U had eigenlijk een beroemde popmuzikant willen worden.

„Ik ben in Londen tachtig platenmaatschappijen afgegaan. Ja, ik was volhardend. Niet dat ik zo vervuld van mezelf ben, maar het was echt goed wat ik maakte. Met mijn muziek is het net als met schrijven en tekenen: ik heb geleerd dat ik wel iets kan, ik heb zelfvertrouwen. Maar het is niets geworden. Bij één maatschappij stond ik mijn bandje te promoten toen Annie Lennox uit een studio kwam en langslopend haar naaldhak in mijn voet zette. Dichter bij de muzikale roem dan dat ben ik nooit gekomen. Ik kreeg bij één maatschappij uiteindelijk de directeur te spreken en die zei: Ik wil best naar uw bandje luisteren, maar wij zijn een verzekeringsmaatschappij. Het was een eenzame tijd. Mijn relatie ging ook nog uit, ik was 27 en had het gevoel dat mijn leven was mislukt.”

Was u niettemin liever in de muziek doorgegaan?

„Eerlijk is eerlijk: dat had ik best gewild. Muziek is zo alomvattend. Wie weet wat er was gebeurd als ik destijds de juiste persoon tegen het lijf was gelopen. Maar er zijn reden om God te danken dat het anders is gegaan. De muziekwereld ligt momenteel op zijn gat. En: als schrijver mag je gewoon kaal en dik worden. Ik maak nog steeds muziek, misschien moet ik nog eens een kale-dikke-mannenband beginnen.”

‘Blote beer en nog véél meer’ in het Gemeentemuseum Den Haag. T/m 24 mei. Inl: gemeentemuseum.nl