Tandarts moet niet ingaan op extreme wensen van cliëntèle

Eén op de tien mensen die om schoonheidsredenen hun tanden laat recht zetten, of iets anders aan het gebit laat veranderen om mooier te worden, lijdt aan Body Dysmorfic Disorder (BDD) of dysmorfobie. Na de behandeling zijn ze nog net zo ontevreden als daarvoor. Die mensen zijn ervan overtuigd dat zij onaantrekkelijk, lelijk of misvormd zijn, terwijl buitenstaanders – om een oordeel gevraagd – dat niet vinden.

Dysmorfobie is een psychiatrische afwijking – een stoornis in de lichaamsbeleving – waar in de westerse samenleving ongeveer 1 op de 50 mensen last van heeft. Onder mensen die voor een cosmetische behandeling bij de tandarts komen komt de stoornis dus veel vaker voor.

Dat schrijft de Amsterdamse hoogleraar tandheelkunde A. de Jongh in een reviewartikel (QP Tandheelkunde, maart). De Jongh waarschuwt dat tandartsen moeten oppassen om in te gaan op ‘extreme’ wensen. Een bezoek aan de psycholoog is voor patiënten met dysmorfobie wellicht beter dan een verblijf in de tandartsstoel.

Mensen met dysmorfobie hebben een uiterst negatief zelfbeeld, vinden zichzelf afstotelijk en lijden daar zeer onder. Ook is het duidelijk dat mensen met deze stoornis een grotere kans hebben om later schizofrenie te krijgen.

Een kwart van alle Nederlanders heeft de tandarts al eens iets aan zijn tanden laten doen om er beter uit te zien. Vrouwen vaker dan mannen. Het gaat om het recht zetten van tanden en kiezen (door de orthodontist), om het plaatsen van kronen, tandkleurige schildjes op de voortanden of het bleken van tanden. Het past in een internationale trend.

De tandarts die iemand met dysmorfobie behandelt helpt daar de patiënt niet mee. Er is bijvoorbeeld Amerikaans onderzoek waaruit blijkt dat bij 80 procent van de dysmorfobiepatiënten na een cosmetische tandheelkundige behandeling de ernst van hun aandoening hetzelfde bleef, of zelfs toenam.

M.A.J. Eijkman