Spionagevliegtuig neemt de oorlog over

Met onbemande vliegtuigjes doodt de CIA de ene na de andere extremist in Pakistan. Maar de aanvallen wakkeren de opstand ook aan.

De meest gezochte terrorist van Pakistan kwam vorige zomer aan zijn einde terwijl hij op het dak van zijn schoonvader een beenmassage kreeg van zijn tweede vrouw. Baitullah Mehsud, leider van de Pakistaanse Talibaan, leed aan diabetes en had pijnlijke benen als gevolg daarvan. Ook lag hij die avond aan een infuus voor zijn nierafwijking. Een onbemand verkenningsvliegtuigje van de CIA leverde een glashelder beeld van Mehsud, die zich veilig waande in het dorpje in Zuid-Waziristan. Met twee Hellfire-raketten uit eenzelfde onbemand toestel werd het echtpaar gedood, en met hen tien anderen.

Baitullah Mehsud is verantwoordelijk voor vele honderden Pakistaanse burgerdoden bij de aanslagen die in zijn naam gepleegd zijn. Maar het heeft ook honderden levens gekost om hem te doden. De jacht van de CIA duurde veertien maanden waarin onbemande vliegtuigjes zestien raketaanvallen uitvoerden, telde The New Yorker op. Hierbij vielen tussen 207 en 321 doden, concludeert het Amerikaanse tijdschrift op basis van berichten in Pakistaanse en internationale media, die ook weer op secundaire bronnen gebaseerd zijn. Nauwkeuriger informatie is niet verkrijgbaar, omdat internationale mensenrechtenorganisaties niet in het gebied worden toegelaten.

Onbemande vliegtuigen zijn voor de Verenigde Staten het belangrijkste instrument geworden bij het opsporen en uitschakelen van kopstukken van Al-Qaeda, de Pakistaanse Talibaan en andere terreurgroepen in de tribale gebieden aan de Afghaanse grens, waar zij hun uitvalsbases hebben. President Obama heeft de aanvallen na zijn aantreden in januari vorig jaar flink in aantal verhoogd, en het programma later verder uitgebreid als onderdeel van zijn nieuwe strategie voor Afghanistan en Pakistan.

Wie in het Britse Camp Bastion in Helmand – momenteel het belangrijkste strijdtoneel in Afghanistan – een blik werpt op de radarbeelden van het luchtruim, ziet een scherm vol gekleurde puntjes, het merendeel onbemande toestellen. Onzichtbaar brommend cirkelen ze boven de dorpen, op zoek naar Talibaanstrijders die bermbommen plaatsen. De Pashtunbevolking noemt ze jasoos (spionnen) of machay (wespen).

Door het gebruik van de toestellen zijn de Pakistaanse tribale regio’s geen vrijplaatsen meer voor extremistenleiders. De ene na de andere Al-Qaeda- of Talibaanleider wordt gedood. Onder hen zijn behalve Afghanen en Pakistanen ook Arabieren, Tsjetsjenen, Oezbeken en Somaliërs, meldt onderzoekswebsite The Long War Journal. Naar wordt aangenomen is ook Hakimullah Mehsud, Baitullah’s opvolger, al weer gedood.

Gevolg van de toegenomen dreiging is dat de extremisten zich over meer schuilplaatsen – meestal huizen van burgers – moeten verspreiden, wat het risico op burgerslachtoffers vergroot. En het gevolg van de honderden burgerdoden in de afgelopen jaren is dat de steun voor de opstand onder de bevolking toeneemt.

„Het lijkt erop dat nu in elk huis in Noord-Waziristan wel een of twee Talibaanstrijders wonen”, zei een inwoner deze maand in The Times. „De jeugd sluit zich bij hen aan. Door de aanvallen groeit de weerzin tegen de VS en de regering. Al-Qaeda is zwaar getroffen door de onbemande toestellen, maar profiteert er ook van.”

In Afghanistan heeft de commandant van de buitenlandse troepen, generaal Stanley McChrystal, het vermijden van burgerslachtoffers centraal gesteld in zijn strategie om de steun van de bevolking te winnen. Bij de operaties van de CIA in de Pakistaanse tribale gebieden, waar de meest gezochte extremisten zich bevinden, lijkt die omzichtigheid veel minder van toepassing: in juni vorig jaar vielen bijvoorbeeld tientallen doden bij een raketaanval op de begrafenis van een eerder die dag gedode Talibaanstrijder.

De burgerdoden in Pakistan zijn nog meer omstreden dan die in Afghanistan: de NAVO in Afghanistan heeft een geweldsmandaat, maar de bevoegdheden van de CIA in Pakistan zijn veel schimmiger. De regering in Islamabad heeft in het openbaar altijd geprotesteerd tegen de aanvallen, die in de woorden van premier Gilani „contraproductief” zijn. Maar omdat ze een gemeenschappelijke vijand als doelwit hebben worden ze toegestaan.

Zolang er maar geen Amerikaanse grondoperaties worden uitgevoerd in Pakistan. Toen Amerikaanse commando’s in 2008 een inval deden in Zuid-Waziristan, verklaarde legerleider Kayani dat de Pakistaanse soevereiniteit „tegen elke prijs” verdedigd zal worden. Terwijl er in de guerrilla-achtige oorlogen in Afghanistan en de Pakistaanse tribale regio’s veel meer burgerslachtoffers vallen bij luchtaanvallen dan bij operaties op de grond.

Zowel de Pakistaanse als de Amerikaanse regering krijgt binnenlandse kritiek op de luchtaanvallen. Een opiniepeiling van Gallup Pakistan in augustus wees uit dat tweederde van de bevolking ertegen is. President Zardari wordt verweten dat hij de Amerikanen te veel ruimte geeft. Om die reden heeft minister van Buitenlandse Zaken Qureshi deze week aan zijn Amerikaanse ambtgenoot Clinton gevraagd om toestellen aan Pakistan te geven, zodat het zelf aanvallen kan uitvoeren. Maar dat wordt het land niet toevertrouwd: Pakistan krijgt voorlopig alleen twaalf Shadow-vliegtuigen die niet bewapend kunnen worden.

De Amerikaanse rechtsgeleerde Kenneth Anderson waarschuwde tijdens een hoorzitting in het Congres deze week dat de VS niet langer kunnen zwijgen over de aanvallen. Medewerkers van de CIA, hun juridische adviseurs en zelfs het veiligheidsteam in het Witte Huis, die tezamen de lijst van doelwitten opstellen, lopen het risico op strafvervolging in het buitenland, zei hij. Om dat te voorkomen moet de regering volgens Anderson duidelijk maken dat de raketaanvallen uitgevoerd worden uit zelfverdediging, en daarom niet strijdig zijn met het internationaal recht.

Of de aanvallen wettig zijn is nog geen uitgemaakte zaak, zegt hoogleraar Matthew Waxman van Columbia University in een rapport van de denktank New America Foundation. „Een militair doelwit mag niet aangevallen worden als het waarschijnlijk is dat er burgerdoden bij vallen of schade gemaakt wordt die excessief is vergeleken bij de militaire winst van de aanval.” Maar er is geen overeenstemming over hoe die waarden gemeten moeten worden, aldus Waxman, „noch over de vraag wanneer die wanverhouding excessief is”.