Pi, iep, ei

Karel Knip

Terug naar eerder werk want er is hier en daar wat herstelwerk te doen. Gemakshalve wordt de omgekeerde chronologie gehanteerd.

Vorig week ging het over de iepen die almaar niet in bloei komen en die dit jaar zelfs helemaal geen bloemknoppen lijken te hebben aangelegd. In Amsterdam moet je iepen-met-bloemen met een kaarsje zoeken. De bloemloosheid is geen reactie op de koude winter, maar waarschijnlijk het gevolg van de ongekend overdadige bloei in het voorjaar van 2009. Al in de zomer beslist de boom of hij bloemknoppen of bladknoppen gaat aanleggen.

Dat het eerste kievitsei dit jaar wat later dan gebruikelijk werd gevonden kwam waarschijnlijk wel door het koude voorjaar. De leg van de kievit schuift al sinds 1950 naar voren. Tot aan 1970 kon dat niet zonder meer aan een opwarming worden toegeschreven (de gemiddelde jaartemperatuur in Nederland nam, zoals in grote delen van de wereld, tussen 1940 en 1970 af). De legvervroeging is daarom tot aan 1970 verklaard als een reactie op veranderd graslandbeheer, werd hier vorige week geschreven.

De Groninger Fries Theunis Piersma, ecoloog en hoogleraar, stuurde een artikel uit Ardea (2005) waarin de vervroeging vóór 1970 toch ook als een temperatuureffect wordt geduid. Kies je de gemiddelde temperatuur van de vóórlegperiode 16 februari-15 maart als maat voor de opwarming dan is het verband tussen legdatum en warmte opeens statistisch heel overtuigend.

De keuze lijkt wat arbitrair en het is vreemd dat in Engeland een minder duidelijke legvervroeging wordt waargenomen. Maar misschien zoeken de Britten minder fanatiek naar het eerste ei dan de Hollandse Friezen. Overigens blijkt een natte winter de leg ook te vervroegen. Vocht en warmte kunnen het voedselaanbod van de kievit verbeteren, en de warmte kan sowieso een legprikkel zijn.

Pi, ook als π, geschreven is de verhouding tussen omtrek en diameter van een cirkel en die verhouding is bij benadering 3,14. Archimedes kwam al tot een redelijke schatting maar in de bijbel wordt doodleuk een waarde van 3 aangehouden. Want er werd een bronzen watervat voor koning Salomo gegoten waaruit deze waarde is af te leiden. In de Statenvertaling van 1637: ‘van tien ellen was zij van haren eenen rand tot haren anderen rand, rondom rond en van vijf ellen in hare hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom’.

Dertig gedeeld door tien is drie. Twee lezers nemen het op voor de bijbel. Misschien was het vat niet echt rond maar eerder ellipsvormig. Of misschien is de omtrek in een vertikaal vlak gemeten. Of is de omtrek niet gemeten langs de bovenrand, maar iets lager waar het vat smaller was.

De AW-redactie noemt dit bullshit. De maten worden opgegeven om de reusachtigheid van het vat te benadrukken en dan ga je niet met je meetsnoer een omtrek meten op een plaats waar die wat lager uitvalt. Er is gewoon geknoeid.

Het pistukje verscheen hier één dag voor 14 maart, wat tegenwoordig vaak als 3-14 geschreven wordt: pidag. De notatie 03-14 is hier Amerikaans genoemd, maar in feite is hij internationaal, schrijft een lezer in Rotterdam. Amerikaans is het om dan het jaartal toch weer aan het eind te zetten: 03-14-2010, terwijl het volgens internationaal voorschrift juist aan het begin moet: 2010-03-14. Dat is ook logischer. De lezer heeft een pesthekel aan Amerikanen.

Op 6 maart is een artikel besproken waarin werd onderzocht wat gevaarlijker is: een klap met een lege bierfles of met een volle. Antwoord: de lege, want de volle fles blijkt in de praktijk eerder kapot te gaan. Als verklaring is gegeven dat in een volle bierfles een koolzuuroverdruk van 2 bar heerst en dat het dat is wat de fles verzwakt. Of het waar is staat nog steeds niet vast. Zou een gekookt ei, dat nog warm is van het koken, en dus onder druk staat, eerder bezwijken onder een slag of stoot dan een rauw ei? Een lezeres in Utrecht meent van wel. Rauwe eieren lijken allen maar zo kwetsbaar omdat ze bij breuk meer rommel geven. De kwestie is in 1995 door het AW-labo experimenteel onderzocht. Toen kwam geen enkel verschil aan het licht.

De AW van 27 februari ging over het drijfvermogen van vogels zoals aalscholvers, futen en kuifeendjes die vaak helemaal onder water duiken. ‘Het drijfvermogen is het verschil tussen opwaartse kracht en gewicht’ is hier genoteerd. Een leraar natuurkunde uit Vlissingen wijst erop dat je ‘opwaartse kracht’ en ‘gewicht’ helemaal niet van elkaar kunt aftrekken. De opwaartse kracht werkt op de vogel, het gewicht werkt op het water. Er had moeten staan: opwaartse kracht en zwaartekracht. Het is een nuttige precisering die voorkomt dat men vastloopt in situaties met veel krachten en reactiekrachten die minder overzichtelijk zijn.

De belvorming in glazen en open flessen champagne en andere prikwijn wordt niet bepaald door de partiële CO2-druk boven de vloeistof, maar door de totale gasdruk boven de vloeistof. Dat hebben voldoende lezers de AW-redactie voldoende duidelijk gemaakt. De snelheid waarmee een opgelost gas uit een oplossing verdwijnt wordt wèl bepaald door de partiële druk van het gas boven de vloeistof. Dat is de wet van Henry waarmee de redactie even in de war was. Ingewikkelder was het defect niet.

Op 13 februari was er aandacht voor het ‘urban heat island’-effect, ook wel het stadseffect genoemd: dat is het gegeven dat het in grote steden vaak warmer is dan op het omringende platteland, vooral ’s zomers als veel zonnestraling geabsorbeerd wordt. De feitelijke aanleiding voor het stukje kwam door een misverstand ter redactie niet uit de verf: de publicatie van K.W. Oleson in Geophysical Research Letters van 3 februari. Oleson berekende met een computer dat de zomerse maxima in grote steden met 0,6 °C afnemen als men alle daken wit verft.