Overheidsschuld nadert de gevarenzone

Haast, de top van de politieke partijen heeft vreselijke haast. Tien weken te gaan tot aan de aanstaande kamerverkiezingen. Er moet nog zoveel gebeuren. Een aansprekend en geloofwaardig verkiezingsprogramma opstellen. Schuiven met de namen van mannen en vrouwen op de lijst met kandidaten voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer. Vanaf nu permanent campagne voeren. O ja, en intensief overleggen met het Centraal Planbureau, dat op uitdrukkelijk verzoek van een politieke partij narekent of de financiële verantwoording van het programma sluit.

Alle serieus te nemen politieke groeperingen maken de gang naar de sobere burelen aan de Haagse Van Stolkweg 14. Een partij die het planbureau links laat liggen, krijgt van alle kanten het verwijt dat zij kiezers loze, want financieel niet onderbouwde beloften doet. Een partij die wel met het bureau in zee gaat, maakt echter moeilijke momenten door. Politici beseffen drommels goed dat de kiezers ambivalent zijn. Het electoraat eist meer en betere collectieve voorzieningen, maar het mag liever niets extra’s kosten. Daarom durfde bij de vorige verkiezingen geen enkele partij het aan om onomwonden een verhoging van de belastingen voor te stellen. Ook bezuinigingen – bijvoorbeeld op de overheidsuitgaven voor gezondheidszorg, onderwijs en de sociale uitkeringen – roepen onder de bevolking over het algemeen veel weerstand op. Dit verklaart dat partijen maatregelen om op de uitgaven te besparen liever zoveel mogelijk in het vage laten. Of ze presenteren ingrepen die weliswaar goed in de kiezersmarkt liggen, zoals een voorgestelde forse afslanking van het ambtenarenapparaat, evenwel zonder te specificeren welke taken en voorzieningen zullen vervallen wanneer de zeis eindelijk door de welig tierende korenvelden van de Nederlandse bureaucratie gaat. Bij het overleg dat voorafgaat aan de feitelijke doorrekening van de programma’s dwingt het planbureau financiële woordvoerders om waar nodig helderheid te verschaffen over wat partijen precies van plan zijn. Luchtballonnen lopen leeg en zeepbellen knappen. Heel wat ambities moeten worden bijgesteld.

Het Centraal Planbureau rekent het manifest van elke partij vervolgens door op basis van dezelfde veronderstellingen over de toekomstige ontwikkeling van de economie. Bij de overheidsfinanciën is ‘ongewijzigd beleid’ het vertrekpunt. Maatgevend is het beloop van uitgaven en belastingontvangsten als partijen in de komende kabinetsperiode slechts op de winkel zouden passen. Tegen dit ‘referentiescenario’ worden de voornaamste plannen van partijen afgezet. Wil een partij minder uitgeven voor defensie of ontwikkelingshulp? Dan ontstaat binnen het overheidsbudget ruimte om andere uitgaven te verhogen, de belastingen te verlagen of het begrotingstekort te verminderen. Durft een partij het aan de belastingen op te schroeven? Dan kunnen de collectieve uitgaven omhoog, of het begrotingstekort kan versneld worden weggewerkt. Het planbureau maakt de uitkomst van de sommen openbaar op 19 mei, drie weken voor de verkiezingen van 9 juni.

Dankzij dit rekenwerk kunnen partijen elkaar tijdens de campagne niet beschuldigen van kiezersbedrog. Hoe belangrijk dit is, bleek wel in de aanloop naar de verkiezingen in januari 2003. Het bureau had toen onvoldoende tijd om de programma’s door te rekenen. Prompt sloegen politici elkaar met tegenstrijdige cijfers om de oren, waardoor media en kiezers de kluts volledig kwijtraakten.

Twee weken geleden kregen partijen van het planbureau een handreiking, in de vorm van een verkenning van de vooruitzichten voor de economie in de jaren 2011–2015. Het CPB schat de kans twee uit drie dat de economische groei in deze periode tussen 1 en 2 procent per jaar ligt. Uitgaande van ongewijzigd beleid halveert het begrotingstekort (nu 6 procent van het nationale inkomen) bij de middenvariant met 1,5 procent groei. Pas in 2015 voldoet ons land dan weer aan de eis uit het Europese Pact voor Stabiliteit en Groei dat het tekort ten hoogste 3 procent van het nationale inkomen mag zijn.

Hoewel het tekort jaarlijks slinkt, stijgt de overheidsschuld bij ongewijzigde voortzetting van het beleid door tot 74 procent van het nationale inkomen in 2015. Daarmee nadert ons land de gevarenzone. Recent onderzoek van Reinhart en Rogoff bevat daarvoor een krachtige aanwijzing. Beide Amerikaanse economen onderzochten het verband tussen de hoogte van de overheidsschuld en het tempo van de economische groei, op basis van de naoorlogse cijfers voor twintig economisch hoogontwikkelde landen. Zij maken onderscheid tussen landen met een lage, een gemiddelde, een hoge en een extreem hoge schuldquote, en trekken bij de indeling van landen – tamelijk willekeurig – de scheidslijnen bij een schuldquote van 30, 60 en 90 procent. Ligt de schuld eenmaal boven de 90 procent van het nationale inkomen, dan zakt de economische groei fors in (zie grafiek). Nederland is nog een eindje van die gevarenzone verwijderd. Maar zonder ingrijpende maatregelen om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te verbeteren, schiet de schuldquote door tot boven de 130 procent in 2040. Daarom is het zo belangrijk dat het planbureau over anderhalve maand ook aangeeft in welke mate de dan doorgerekende verkiezingsprogramma’s bijdragen aan beter houdbare openbare financiën.