Niemand weet wat afschot doet met de populaties

Louwe Kooijmans concludeert dat „wat wij weten van de natuur in het verleden, niet de schepping legitimeert van ecosystemen met zelfstandig levende paarden en runderen” (Opinie & Debat, 20 maart). Zijn uitgangspunt dat de prehistorie als referentiekader voor natuurontwikkeling fungeert, is echter een misvatting. Geen enkele beheerder streeft naar „het terug willen hebben van oorspronkelijke natuur”. Introductie van landbouwhuisdieren op de Veluwezoom, in de Oostvaardersplassen en tal van andere natuurgebieden vindt primair plaats als natuurtechnische maatregel om vergrassing en verstruiking tegen te gaan. Om meer grip te hebben op de kuddes werd in sommige gebieden de stap gezet van ingeschaarde runderen en paarden van boeren, naar dieren van terreinbeherende organisaties zelf, geselecteerd op uiterlijk (woest – gepaard met een goede inborst), winterhardheid. In drie grootschalige gebieden ontstond de gedachte om de dieren niet alleen in het groeiseizoen in te scharen, maar ook ’s winters buiten te laten (Slikken van Flakkee, Oostvaardersplassen en Veluwezoom). Geleidelijk werden de dieren in die gebieden onderdeel van het ecosysteem, en parallel aan de leefsituatie van wilde dieren werd de bijvoeding afgebouwd.

De keuze voor zelfregulerende natuur vindt haar legitimatie in het heden en in nieuwe kansen voor natuur in de toekomst. Op de Veluwezoom wordt langzaam maar zeker zichtbaar wat de natuurlijke wisselwerking tussen grazers en vegetatie oplevert, zoals nieuwe heidetypen en bosbeelden. Geen plaatjes uit de prehistorie; wel nieuwe natuurkwaliteiten.

Een moeilijkheid bij discussies over uitgezette hoefdieren is dat er een beheer wordt gevoerd op basis van onvoldoende kennis van de ecologie van deze diersoorten. Dit geeft problemen bij het uitleggen van het beleid. Dit geldt evenzeer voor de omgang met wild zwijn, edelhert, ree en damhert. Ieder jaar wordt een groot aantal wilde hoefdieren afgeschoten zonder kennis over de gevolgen voor de hoefdierenpopulaties zelf en voor hun leefomgeving. Het ontbreken van een wetenschappelijke basis van dit beleid laat veel ruimte voor polemiek op grond van emoties, terwijl nu een debat, steunend op onderzoeksresultaten, verhelderend kan werken.

Rienk-Jan Bijlsma en Geert Groot Bruinderink

Alterra Wageningen UR