Nederlandse man draait op voor hoogopgeleide echtgenote met pretbaantje

Uit de reacties op het vertrek van Wouter Bos en Camiel Eurlings uit de politiek doemt het beeld op dat het feminisme in Nederland is verworden tot een rancuneleer.

Journalist en schrijver. Auteur van de bekroonde novelle ‘Over het water’. Werkende vader.

De feministische meetlat was altijd al een instrument om mannen mee te slaan en niet om de prestaties van vrouwen langs te meten. Maar het ding leek de weg van wringer, ragebol en mattenklopper te zijn gegaan: obsoleet geworden en vergeten. Tot het twee weken terug weer tevoorschijn werd gehaald om op het hoofd van Wouter Bos te meppen. En hard ook. Het zelfbenoemde geweten van de Nederlandse vrouw, voormalig Opzij-hoofdredacteur Cisca Dresselhuys, werd in zo ongeveer alle media uitgerold om haar wantrouwen te ventileren over de motieven van de 47-jarige vader van drie jonge kinderen om de politiek te verlaten. Nee, dat kon niet waar zijn, dat een man in een bepaalde periode van zijn leven voorrang zou willen geven aan zijn gezin. Het was „niet eerlijk en waarachtig”. Bos was „weer een man die dit als smoesje gebruikt”.

Opvallend in het kortstondige tumult dat loskwam na de beslissing van Bos en zijn collega Eurlings, was dat de kritiek vooral kwam van hoogopgeleide vrouwen. In deze krant bijvoorbeeld van Heleen Mees en Stine Jensen. Die overigens wel een ander accent legden. Niet moreel, maar beleidsmatig: Bos zou als politicus hebben gefaald door geen nieuwe maatregelen te nemen die de combinatie van zorg en werk gemakkelijker maken voor vrouwen „en voor mannen, dus inclusief zichzelf”. ‘Wouter is een watje’ was de lekker allitererende, maar niet erg logische conclusie die Mees uit deze observatie trok. (Flinke mannen en dito vrouwen kunnen het immers ook zonder extra overheidssteun.)

Het zou jammer zijn als het even opflakkerende debatje nu alweer wegtwitterde als het zoveelste media-incident – zonder enig ander gevolg dan een paar butsen en schrammen op de reputatie van Wouter Bos als vader; want daar ging het toch vooral over, niet over zijn functioneren als partijleider of vicepremier. De argumenten die van stal werden gehaald, zeggen namelijk iets over de verhouding tussen mannen en vrouwen in Nederland aan het begin van de 21ste eeuw. Honderdveertig jaar nadat Aletta Jacobs tot de hbs werd toegelaten en veertig jaar na de oprichting van Dolle Mina wordt het debat over de verhouding tussen de seksen nog steeds met behoorlijk ouderwetse slogans gevoerd. Zo viel weer te horen dat een vrouwelijke politicus geen enkel begrip zou ontmoeten wanneer zij te kennen geeft meer tijd met haar kinderen te willen doorbrengen. Maar is dat wel zo? Kan iemand een voorbeeld noemen van zo’n geval?

En nog zo’n geliefd cliché: aan vrouwen wordt doorgaans wel en aan mannen niet gevraagd hoe zij een voltijdbaan met zorg en huishouden combineren. Dat klopt dan weer wel, zo kan ik uit eigen ervaring bevestigen; niemand vraagt mij dat ooit. Maar dat hoeft ook niet. Want het antwoord luidt: met wat passen en meten is het best te doen. Wellicht niet voor ministers en de topbazen van multinationals en ook niet voor wie in een slachthuis werkt of ’s avonds kantoren moet schoonmaken, maar wel voor mensen met een net iets minder veeleisende functie, en dat zijn er toch echt heel veel. Het huishouden is dankzij koelkast, wasmachine en stofzuiger allang geen echte baan meer en kinderen gaan na een jaar of vijf naar school. Het is beledigend voor alle vrouwen en mannen die de klus wel klaren, soms zelfs alleen, om te doen alsof het anders is. Mankeert er wat aan hen? Doen ze iets of iemand tekort?

Tegen de beschuldiging van kwade trouw kan niemand zich verdedigen. Dat Bos zijn moment van terugtreden zo goed gekozen heeft dat het zijn partij geen schade doet, maar zelfs voordeel brengt, zou ik hem bovendien eerder als verdienste willen toerekenen dan dat het tegen hem pleit. Was hij geloofwaardiger geweest als hij de PvdA en het land in staat van totale ontreddering had achtergelaten? Maar koud thuis is de nieuwbakken huisman door het vrouwelijk volksgericht al een nieuwe test in het vooruitzicht gesteld: mocht hij het in zijn hoofd halen om over een paar maanden weer aan het werk te gaan, dan weten we dat hij gelogen heeft (niet ‘eerlijk en waarachtig’ was). Dat mag hij dus niet.

De publieke opinie heeft niets te maken met het gezin-Bos en de arrangementen die vader en moeder onderling treffen. Ieder oordeel van buitenstaanders daarover is ongepast. Maar het zegt wel iets dat de afkeuring en het wantrouwen jegens zijn besluit vooral van vrouwen met een comfortabele positie komt. Mevrouw Dresselhuys gaf, onbedoeld waarschijnlijk, een blik op de ideeën en belangen die daarachter schuilgaan toen ze op radio en televisie ook nog een dringend advies aan de partner van Wouter Bos gaf. Die zou nu ‘een parttime baan’ moeten gaan zoeken.

Een parttime baan. Liefst na een fulltime opleiding, uiteraard. Dat is voor sommige feministen het luxueuze eindpunt van de emancipatie geworden, een privilege dat nu tegenover het mannelijke deel van de bevolking verdedigd moet worden. De cijfers zijn op dit punt tamelijk ontstellend. Terwijl Nederlandse mannen in de afgelopen decennia zowel buitenshuis als binnenshuis meer uren zijn gaan maken en aangeven best iets minder tijd aan hun betrekking te willen besteden, blijkt ook uit recente onderzoeken (van het SCP: Deeltijd (g)een probleem (2009) en Verdeelde Tijd (2008)) dat Nederlandse vrouwen wel hechten aan een goede opleiding, maar daarna slechts bereid zijn tot een beetje werk. Leuk werk, welteverstaan, dat dus niet al te veel tijd moet kosten. Ook jonge vrouwen zonder kinderen geven daarom de voorkeur aan een deeltijdbaan. Met jonge kinderen en een partner die bereid is een extra inspanning te leveren is daar nog best iets voor te zeggen. Tijdelijk dus. Maar uit de cijfers blijkt dat na het opgroeien van die kinderen hun moeders niet en masse vanuit de benauwenis van de huiselijke kring terugkeren naar de vrijheid en de rijkdom van een volledig werkend bestaan. Daar hebben ze geen zin meer in. Zo verschrikkelijk zijn die zorgtaken dus kennelijk ook weer niet. Liever ruilen ze de ene vorm van gezelligheid in voor de andere; ze storten zich op de cultuur, ze gaan op reis, doen een cursus of gaan tijd besteden aan hun spiritualiteit.

Het is niet alleen onrechtvaardig tegenover mannen wanneer hun partners het recht opeisen om gedurende de levensloop structureel minder te werken, het is ook een maatschappelijk en economisch probleem. Voor vrouwen aan de onderkant van de arbeidsmarkt tellen de immateriële voordelen van deeltijdwerk niet. Zij worden vooral geconfronteerd met lager loon, en met of zonder kinderen blijft dat zwaar. Voor beroepen die meer opleiding vereisen, geldt dat de gevolgen van de vergrijzing alleen maar in financiële zin te verhelpen zijn door verhoging van de AOW-leeftijd. Het tekort aan arbeidskrachten kan het beste effectief worden bestreden wanneer vrouwen meer gaan werken, desnoods pas tegen hun vijftigste levensjaar. Mannen zouden rond die tijd een stapje terug kunnen doen – en zo halen we allemaal gezond die 67 jaar.

Meisjes zijn oververtegenwoordigd in het hoger onderwijs. Het percentage vrouwelijke studenten geneeskunde bedraagt meer dan 70 procent. Het is rampzalig als 70 procent van de artsen straks maar voor 50 procent aan de slag wil. Zie het onderwijs: dat wordt nu al geteisterd door een regen van snipperbaantjes. Niet alleen een probleem voor roosterbouwers en leerlingen, maar ook voor wie zijn hele boterham voor de klas wil verdienen; er wordt meer deeltijd aangeboden dan er banen met een volledig salaris te vinden zijn.

Nederland wijkt met de onwil van vrouwen om aan de slag te gaan fors af van de rest van de wereld. Dat komt niet doordat de overheid hier meer barrières opwerpt dan elders of veel minder gul is in het aanbieden van voorzieningen. Maar waardoor dan wel? Is het feminisme hier ontaard in een rancuneleer die zijn bestaansrecht ontleent aan schimmige complottheorieën over mannen – of juist een doorzichtige smoes ter verdediging van het Recht op Pret ten Koste van de Watjes? Daar moesten we maar niet van uitgaan. Er wordt al genoeg gepolariseerd. Misschien is de strijd tussen de seksen wel beslecht en geëindigd in een heel bevredigend gelijkspel. Zodat de resterende problemen gewoon als een economisch verdelingsvraagstuk beschouwd kunnen worden, dat niet zou moeten ontaarden in een klassenstrijd. Met andere woorden: hier ligt een klassiek sociaal-democratisch thema. Job Cohen (62, volwassen kinderen) kan het oppakken, als hij het gevecht om het lijsttrekkerschap tenminste niet van een ambitieuze vrouw (zelfde leeftijd, zelfde omstandigheden) verliest. Wouter Bos en zijn gezin kunnen we dan misschien even met rust laten, onder dankzegging voor de aanleiding tot debat. In zijn slaapkamer, zijn woonkamer en zijn keuken heeft de overheid noch de publieke opinie iets te zoeken. Het staat ieder individu immers vrij om met zijn naasten riante afspraken te maken. Maar in het algemeen geldt: alle vrouwen moeten aan het werk.