'Mijn moeder wilde niet bedelen'

Corrie Heijnen-Stroet (1932) werd opgevoed door haar broer en zussen. ‘Ome Piet keek of het goed ging.’

‘Toen ik drie was, overleed mijn vader aan maagkanker. Mijn broer Wim was de oudste van ons achten en de enige jongen, dus nam hij de vaderrol in het gezin over. Ik kan het me nauwelijks anders herinneren.

„Wim ging werken in het schildersbedrijf dat mijn vader naliet. Hij heeft de zaak ook een tijdje gerund, maar dat was geen succes. Mijn broer was een denker. Voor zakendoen was hij veel te eerlijk, en hij was zo precies dat alles te lang duurde. Mijn moeder zag dat, en heeft vaders bedrijf toen maar verkocht.

„Mijn moeder wilde niet bedelen. De Katholieke Kerk had een soort armenzorg – misschien heeft die wat bijgesprongen, maar de regel bij ons was: wie oud genoeg is, gaat geld verdienen voor het gezin. Mijn zussen werden hulp in de huishouding. Cathrien ging al op haar dertiende bij een boer werken. Ze vond het vreselijk.

„Van de oorlog hebben we eigenlijk geen last gehad. We woonden in de polder, en daar was van alles: we konden melk halen bij de boer, er was een landbouwbedrijf dat tarwe bij ons op zolder bewaarde. Van een vriendinnetje kreeg ik boter en kaas. Toch ging ik er steeds slechter uitzien. Dat was van de angst: ik was bang voor al die vliegtuigen die in de omgeving landden. Ten slotte werd ik ziek en kon ik drie maanden niet naar school. Ik had een soort tbc, mijn bloed was niet goed.

„Op een dag stond mijn broer aan mijn ziekbed en zei: ‘’t Is gebeurd.’ Mijn moeder was overleden. Ik schrok geweldig. Het ging al lang niet goed, maar toch. Mijn moeder had het aan d’r rug; de dokter had ‘zuivere reuma’ bij haar geconstateerd en haar daarvoor laten behandelen. Het bleek tbc te zijn, maar toen was het al te laat.

„Mijn oudste zussen waren al eerder om beurten weer thuis gekomen om te helpen. Nu we geen ouders meer hadden, werd Jeanne onze moeder. Ik was twaalf, en ik was gek op haar. We hadden ook een toeziend voogd, ome Piet, die af en toe op bezoek kwam om te kijken hoe het ging. Dat was wel leuk, maar het was niet nodig.

„We hadden het goed met elkaar. Wim was overdag aan het werk en kwam om zeven uur ’s avonds thuis. Wij hadden dan al gegeten. Jeanne kookte: aardappelen, groenten en soms vlees. Simpel eten, want winkels waren er niet in de buurt. Bij ons huisje was een stuk grond met fruitbomen waar we samen voor zorgden. Vooral Cathrien vond het leuk om te spitten en zo. We maakten nooit ruzie.

„Wij hadden alles voor elkaar over. Nu zijn mensen vooral met zichzelf bezig. Het wordt ze niet meer geleerd dat juist het zorgen voor een ander je gelukkig maakt. Wim en Jeanne bleven er voor ons totdat ik op mijn negentiende het diploma voor kleuterleidster had gehaald en het huis uit kon. De anderen waren toen al getrouwd of aan het werk, en Truus was het klooster ingegaan. De zusters op school hadden het bij mij ook vaak geprobeerd, maar ik wilde absoluut niet. ‘Nonnenkwekers’, vond ik ze. Ik speelde liever met kinderen. Ik was best eigenwijs.

„Met mijn zelfstandigheid brak voor Wim en Jeanne een ander leven aan. Wim was vrij om te trouwen met zijn verloofde. Hij bleef in het ouderlijk huis; Jeanne moest naar iets anders op zoek. Ze kwam bij een zieke mevrouw te wonen. Later is ze zelf getrouwd. Ik heb Jeanne vaak bedankt voor alles wat ze voor ons gedaan heeft. Misschien had zij ook wel willen doorleren, maar dat heeft ze op moeten geven.”

Hun vorige huis was nieuwbouw, en groot; ze rilt als ze aan de stilte terugdenkt. Nu grenst hun bescheiden woonkamer zowat aan een rumoerig schoolplein, en dat vindt ze ideaal. Ze draagt grof gebreide sloffen.

Heeft u ook een interessante familiefoto?Mail naar weekblad@nrc.nl