'Matthäus Passion' Labadie van ongeschonden schoonheid

Klassiek Matthäus Passion van Bach door Kon. Concertgebouworkest, Groot Omroepkoor en Nat. Jongenskoor/Bernard Labadie. 26/3 Concertgebouw A’dam. Herh: 28/3, 12u, live op Radio 4. *****

Vorig jaar hernieuwde het Concertgebouworkest zijn eigen passietraditie door eens niet de Johannespassie van Bach te spelen, maar die van James MacMillan. Dit jaar ligt het avontuur elders en brengt het orkest weer ‘gewoon’ een Matthäus onder de hier debuterende specialist Bernard Labadie.

De Canadees Labadie (47) formeerde al als twintiger zijn eigen barokensemble, Les Violons du Roy, dat nog steeds succesrijk is. Op cd’s met hen presenteerde hij zich als een pragmatisch stijlspecialist van het bedachtzame soort en precies zo begon gisteravond zijn visie op de Matthäus: gedragen, detailrijk, stijlzeker en met een koor dat de flitsende passages (Ja, nicht auf das Fest; Sind Blitze, sind Donner) meer volmaakt dan hitsend zong.

Labadie dwong meteen respect af door zijn greep op het geheel. Door de alerte manier waarop hij solisten in de aria’s bij de hand nam, kon hij zich zonder ontsporingsrisico vaak snelle tempi veroorloven. Daarbij werkte de uitmuntendheid van de zangers mee: tenor Werner Güra zingt steeds sterker en zelfverzekerder, alt Marie-Nicole Lemieux beschikt over de moederwarmte waarop je in Erbarme dich hoopt en Miah Persson maakte van Aus Liebe een smeltend liefdesduet met de ongehoord vrij spelende fluitist Kersten McCall.

Labadie noemt zichzelf „een echte Bach-man” en bewees dat in alle opzichten. De afwerking van zijn ‘midsize’-Matthäus (twee koren en orkesten van circa twintig musici per groep) was vlekkeloos, en veroorzaakte ook momenten van ongeschonden schoonheid. Er klonken koorcommentaren als gemurmelde terzijdes, een Christus (toenemend robuust en charismatisch gezongen door Florian Boesch) die zich eerst ootmoedig, later toch nog bulderend verhield tot zijn lot en koralen die de handeling op de voet volgden. Snel en stellig (Was mein Gott will), uitdovend (O Haupt voll Blut und Wunden) en Bruckneriaans breed na Christus’ verscheiden (Wenn ich einmal).

Het dramatisch vuur dat Labadie in het eerste deel spaarde, was er wel meteen bij James Gilchrist, die de evangelistenrol opvat als meesterverteller én over de onder tenoren zeldzame souplesse beschikt om al dat gekrakeel, gedonderpreek en lispelend verraad onbelemmerd stem te geven. Een zodanig ‘retorische’ evangelist paste uitstekend bij Labadies dramaturgische detaillering, uitmondend in het slotkoor als stil wiegelied.

Volgend jaar leidt Jan Willem de Vriend Bachs Johannes; er komt dus beweging in een dirigentenpoel die voorheen zeer klein was. Met de KCO-passiedebuten van Mariss Jansons, John Eliot Gardiner en Bernard Haitink wellicht ooit nog in het verschiet, is er veel om op te hopen. De terugkeer van Labadie is vanaf nu óók een wens.