Kleine stukjes RNA zijn geschikt als kankermedicijn.

Kleine stukjes RNA zijn geschikt als een nieuw soort kankermedicijn. Bij patiënten met uitgezaaid melanoom, een levensbedreigende huidkanker, blokkeren de ontworpen en van buitenaf toegediende stukjes RNA de aanmaak van een eiwit. Dat eiwit (RRM2) stimuleert de kankergroei. Het experiment is gedaan bij drie patiënten waarvoor geen therapie meer beschikbaar was. Of zij er iets aan hebben is nog niet bekend.

Het wetenschappelijke verslag laat alleen zien dat het RNA-molecuul doet waarvoor het ontworpen is. Na eerdere teleurstellende experimenten werd er ernstig getwijfeld of de methode wel kon werken (Nature, online, 21 maart).

Het gaat om de medicinale toepassing van RNA-interferentie. RNA-interferentie gebeurt van nature in alle gezonde cellen, om de aanmaak van eiwitten te stoppen als dat nodig is. Eiwitten zijn in gebruik als enzym en bouwsteen. Het menselijke lichaam kan er tienduizenden verschillende maken. Als een eiwit nodig is wordt in het DNA in de celkern het gen afgelezen dat de erfelijke code voor het eiwit bevat. Er ontstaat dan een kopie, een messenger-RNA (mRNA) dat de matrijs is waarop het nieuwe eiwit wordt gesynthetiseerd. Is er genoeg eiwit, dan levert de cel een ander RNA-molecuul dat een deel van de erfelijke code van het mRNA bevat. Dat plakt tegen het mRNA. Dat is de interferentie en daarmee stopt de eiwitsynthese. Vervolgens komt de opruimingsdienst langs om het mRNA op te ruimen.

De kleine stukjes interfererend RNA in iedere levende cel zijn decennialang als ‘afval’ over het hoofd gezien. Begin jaren tachtig van de vorige eeuw werd hun functie ontdekt bij bacteriën. In 2006 kregen de Amerikaanse hoogleraren Andrew Fire en Craig Mello de Nobelprijs voor de geneeskunde voor de ontdekking van RNA-interferentie.

Na een eerste gemeld succes als medicinale toepassing, bij patiënten met de oogziekte CNV, waarbij overdadige bloedvatgroei het netvlies bedreigt, kwam in 2007 de domper: het in het oog geïnjecteerde specifiek ontworpen stukje RNA legde niet het beoogde doel, een mRNA die voor bloedvatgroei codeert, stil. Het kleine RNA-molecuul had een invloed op bloedvatgroei dat ieder willekeurig geïnjecteerd stukje RNA zou hebben. Dat was niet de bedoeling, want dan kon de therapie ernstige bijwerkingen hebben, bijvoorbeeld bij het herstel van wondjes.

Dat probleem lijkt nu omzeild, onder andere met nieuwe methoden van toediening. De Amerikaanse onderzoekers gebruikten nanodeeltjes die dankzij ontworpen oppervlaktemoleculen bij voorkeur in de kankercellen terecht kwamen.

Wim Köhler