Hulpplan voor Athene is ook politiek programma

Langzamerhand worden de schetsen van een nieuwe monetaire architectuur voor Europa zichtbaar. In Brussel hebben de 27 regeringsleiders van de EU een eerste maquette gepresenteerd. En die draagt een uitgesproken Duitse signatuur. Het was bondskanselier Merkel die president Sarkozy van Frankrijk dwong zich op hoofdlijnen te voegen naar haar wensen. Waarna de overige landen weinig anders konden doen dan instemmen met het communiqué.

Daar ging wel wekenlang verwarring aan vooraf, die juist door Duitsland was gezaaid. Wat wilde Berlijn nu eigenlijk doen om te voorkomen dat het verval van de euro in Griekenland begon? Eerst wilde de Duitse regering van geen hulp weten. Dat zou een beloning zijn voor slecht gedrag. Vervolgens kwam ze met een idee over de vorming van een eigen Europees Monetair Fonds, zodat de beschamende gang naar het IMF niet zou hoeven worden gemaakt en Frankrijk zich kon opwerpen als kampioen van solidariteit. Maar uiteindelijk koos Duitsland ervoor om het IMF te gebruiken waarvoor het is: staten helpen die financieel in ongerede zijn geraakt.

Mocht Griekenland in doodsnood raken – maar ook geen dag eerder – dan krijgt het marktconforme leningen van zowel IMF als eurozone. Elk land betaalt naar rato mee en heeft ook vetorecht.

Het belangrijkste is dat dit akkoord niet alleen op Griekenland is toegesneden. Hoewel het Stabiliteitspact van de EU om formele redenen niet kan worden gewijzigd, hebben de regeringsleiders zich donderdag verplicht de handhaving van dit „kader te versterken en aan te vullen”. Dat wijst op informele wijzigingen in dit verdrag. De Europese Raad moet bovendien een „grotere rol spelen in de economische coördinatie”, aldus de 27 regeringsleiders.

In deze ene zin staat eigenlijk dat de EU er niet aan ontkomt om de politieke samenwerking op economisch terrein te versterken. Dat was tot nu toe vloeken in de kerk. Concrete en kortere-termijnpolitiek, zoals structuurbeleid of belastingharmonisatie, was buiten de orde. Toen premier Zapatero van Spanje begin dit jaar meer gemeenschappelijk economisch beleid opperde, werd het idee genegeerd.

De Griekse crisis heeft echter geopenbaard dat dit onhoudbaar is. Als er in Brussel geen gezamenlijk aanpak was gezocht, zou de euro in de gevarenzone zijn geraakt. In de geschiedenis van de EU zijn de economische realiteiten nu eenmaal altijd voorafgegaan aan nieuwe politieke verhoudingen. Voor de euro is ook een andere historische analogie. Of het nu gaat om de Duitse mark, de Russische roebel of de Amerikaanse dollar, een gemeenschappelijke munt vergt altijd een gemeenschappelijk politiek fundament.

Het akkoord van Brussel heeft die betekenis. Nu de grote landen hebben getoond dat de euro niet alleen lusten kent maar ook lasten, en dat die evenwichtig moeten worden verdeeld, kunnen er stappen worden gezet om de munt structureler te beschermen.

De curatele over Griekenland en zijn statistici is geen incidentele maatregel. Effectieve en vooral tijdiger sancties tegen landen die de criteria aan hun laars lappen, zijn nu geboden. Alle landen in de eurozone moeten dus accepteren dat er controlebevoegdheden worden gecentraliseerd. Het communiqué van Brussel noemt dat „economische governance”. Maar er staat op de keper beschouwd gewoon: economische politiek. Het is zinloos dat te ontkennen.