Horloges

Af en toe, een keer per kwartaal misschien, doe ik het achterklepje van mijn armbandhorloge open en kijk ik in bewondering naar de onrust, het kleine wieltje dat onophoudelijk heen en weer beweegt. Dat doet het al een jaar of twintig, zonder dat ik deze machine heb moeten doorsmeren of met de hand van nieuwe energie voorzien (opwinden). Het is een kinetisch apparaat dat zijn energie toevallig krijgt. Ben ik aan het tikken of eten, neem ik een trekje van mijn sigaret, dan beweeg ik mijn hand. In het horloge beweegt een stukje metaal van een zeker gewicht mee. Die energie wordt weer ergens in dat kleine doosje bewaard, om de wijzers te laten draaien, en zo kom ik te weten hoe laat het is. Een wonder.

En nu ik toch aan het opscheppen ben: dit is een niet alledaags horloge. Het is een kleine replica van de Hour Angle Watch, een schepping van Charles Lindbergh. Bij zijn tocht over de Atlantische Oceaan, in 1927, wilde hij weten waar hij was en hoe laat het was, op ieder ogenblik. Het prototype van dit horloge gaf de oplossing. Het is ingewikkelder dan ik het heb beschreven, maar dat gaat me boven mijn pet. Ik vond en vind het mooi, ik had toevallig geld over en dus heb ik het gekocht. Nog altijd niet tot mijn spijt.

Vorige week vrijdag heeft de International Herald Tribune ter gelegenheid van de jaarlijkse wereldtentoonstelling van horloges in Bazel vier pagina’s aan de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van techniek en vormgeving gewijd. Het is duizelingwekkend, opnieuw. Bréguet is op de markt gekomen met een horloge met een veer van silicium, een van de hardste elementen van de schepping. De Oyster Perpetual Datejust, zegt een reclame, is de ultieme vervulling van degenen die geloven in tijdloze élégance. Chanel en Dior, instituten waarvan ik dacht dat ze zich toelegden op parfums en het ontwerpen van jurken en hoeden, zijn op de markt verschenen met horloges zonder cijfers. Bij Chanel kun je het hele binnenwerk zien; dat van Dior valt op door de schittering van de edelstenen. Bij zoveel pracht heb ik de neiging te denken: het zal wel. Maar deze tentoonstelling is in Bazel (als u er toch bent, ga dan ook even naar het Museum Tinguely), en doordat deze stad in Zwitserland ligt schoot me weer eens – eindelijk – de film van Carol Reed met Orson Welles, The Third Man te binnen.

Harry Lime, de hoofdpersoon, zit met een vriend in het reuzenrad in het Weense Prater. Ze bespreken het leven, in het bijzonder de misdaad. Daar hebben de Zwitsers geen verstand van, zegt Lime. Altijd braaf geweest. En wat is hun bijdrage tot de wereldgeschiedenis? De koekoeksklok. Dat aforisme leeft voort, en verder is de film onvergetelijk door het muziekje, het Harry Lime Theme, op de citer gespeeld door Anton Karas. Jongeren die dit lezen en niet weten waar ik het over heb: zoek het op. YouTube heeft het, vast en zeker.

Toen, niet lang nadat ik de film had gezien, liep ik langs de speelgoedwinkel van Van Embden in de Kalverstraat. Daar in de etalage stond de eenvoudigste koekoeksklok, de oerklok die je zelf met kant en klare onderdelen in elkaar kon zetten. Een uurwerk, aangedreven door gewichten. Ik keek nog eens goed, dacht: dat kan ik ook en ging thuis aan de slag. Het was een hels priegelwerk, maar tenslotte had ik een goed werkend echappement gemaakt, het deel van het mechanisme dat tik-tak doet. Maar ik wilde geen klok, ik wilde een karretje dat zich met kleine schokjes zou voortbewegen. Ik zette vier wieltjes onder een plankje en timmerde daar een mast op om het gewicht aan te hangen. Kunt u het nog volgen? Uit de meccanodoos van mijn zoontje leende ik een paar tandwielen, paste met veel gezwoeg het geheel in elkaar en bracht mijn zelfgemaakte wonder op gang.

Het zelfgemaakte wondertje bleef rijden tot het gewicht op het plankje rustte. Dit karretje beschouw ik nog altijd als een kleine verworvenheid uit mijn leven.