Het lampje boven je hoofd

‘Mijnheer, u zult vast een manier vinden om het te belasten!”Dat was volgens de overlevering het antwoord dat de Engelse natuurkundige Michael Faraday gaf toen hem rond 1850 door de minister van Financiën werd gevraagd wat nu precies het praktische nut was van het zojuist ontdekte verschijnsel van elektromagnetisme. En of hij en zijn latere collega-ministers het belast hebben! Faradays woorden waren profetisch: bijna alles wat we doen maakt op de een of andere manier gebruik van elektriciteit en geeft ook nog een bijdrage aan de schatkist. Ach, had Faraday zijn wetten maar gepatenteerd.

Het is moeilijk, of zelfs onmogelijk, dergelijke enorm lucratieve toepassingen te voorzien. Toen Thomas Edison in 1882 hoogstpersoonlijk de eerste vierhonderd elektrische lampen deed oplichten, waaronder enkele in het redactielokaal van de New York Times, was dat beslist geen voorpaginanieuws, zelfs niet voor de journalisten die er bovenop of, beter gezegd, recht onder zaten. De volgende dag geen vette kop ‘Begin van Elektrisch Tijdperk’ op de voorpagina; geen visioenen van telefoon, televisie of computer. Nee, slechts een klein berichtje, verstopt op pagina 8, dat opmerkte dat de elektrische lampen er net zo uitzagen als de oude gaslampen, alleen niet flikkerden of stonken.

Het is niet alleen moeilijk om ver vooruit te kijken, het is ook moeilijk om iets tegelijkertijd van de linkerkant en de rechterkant te bekijken. Zeker in de politiek. Kennis is typisch een begrip dat zo’n perspectiefkeuze met zich mee lijkt te brengen. Van links ziet men de opvoedkundige kant: de ontwikkeling van talenten met iedere mogelijke achtergrond. Onderwijs als sociale motor, als een kabelbaan die jonge mensen naar de top van de berg kan brengen om van het uitzicht te kunnen genieten. Van rechts ziet men de ondernemende kant: de ontwikkeling van uitvindingen en ideeën voor iedere mogelijke toepassing. Geen kabelbaan, maar een roetsjbaan, om zo veel mogelijk economische vaart te maken.

Dat dit twee kanten van één zaak zijn, wordt niet overal even goed begrepen. In Nederland wordt nog wel eens gegniffeld als je het woord ‘innovatie’ laat vallen. Ik kan me daar wel wat bij voorstellen. Als je over onderwijs spreekt, ziet iedereen direct docenten en leerlingen voor zich. Als je over onderzoek spreekt, denkt men aan wetenschappers en studenten. Maar als je over innovatie spreekt, dan blijft het beeld leeg. Wie of wat moet je je voorstellen bij een ‘innovateur’? Maar iemand die ideeën en uitvindingen weet te vertalen in nieuwe producten en diensten is goud waard voor de maatschappij.

Het is frustrerend dat enerzijds de economische betekenis van fundamentele kennis groeit, maar dat anderzijds het bedrijfsleven zijn taak in deze steeds minder vervult. Er is een wereldwijde trend waarin diepgravend en vrijlopend onderzoek niet langer welkom is binnen de muren van de industrie. Dat roept soms een sentimenteel verlangen op naar de goede oude tijd toen industriële giganten als Philips, IBM en AT&T wél in staat waren grote laboratoria te onderhouden, die de slimste breinen uit de wereld aantrokken en ideale werkomstandigheden konden bieden met in essentie onbeperkte budgetten en vrijheden. Dat was de tijd waarin Hendrik Casimir het Philips NatLab leidde, dat wat aantal onderzoekers betreft concurreerde met de beste Nederlandse universiteiten. Dat was de tijd van de befaamde Bell Labs waar niet minder dan zeven Nobelprijzen werden verdiend, niet alleen voor de ontdekking van de transistor, maar ook voor de kosmische achtergrondstraling, ook al begon die laatste ontdekking met een storende ruis in een microgolfontvanger.

Maar deze gouden eeuw van industrieel onderzoek ligt achter ons. Technologiebedrijven hadden toen in essentie monopolies en konden zo uitzonderlijk hoge winsten boeken. De burger betaalde ook toen de rekening. Vandaag de dag is de cyclus van een onderneming kort en bruut. Overal ligt de vijandige overname op de loer. Aandeelhouders hebben geen geduld. Kennis verspreidt zich razendsnel over de wereld, dankzij de moderne glasvezelnetwerken vaak letterlijk met de lichtsnelheid. Kennis wordt een publiek goed, en daarmee ook een publieke last. Of, beter gezegd, een publieke verantwoordelijkheid.

Universiteiten en onderzoeksinstituten moeten een steeds groter aandeel van deze verantwoordelijkheid dragen. En dat kunnen ze ook. In het zojuist verschenen boek The Great American University van Jonathan Cole, oud-rector van Columbia University, wordt de economische impact van MIT geroemd. Ik geef gelijk toe dat dit een geflatteerd voorbeeld is, want MIT is bij verre de meest succesvolle ondernemende kennisinstelling in de wereld. Maar toch, de cijfers zijn indrukwekkend. In de loop der jaren zijn meer dan vijfduizend bedrijven gestart door alumni of medewerkers van MIT, een gemiddelde van 35 per jaar. Onder deze bedrijven bevinden zich technologische reuzen als computerfabrikant Texas Instruments, vliegtuigbouwer McDonnell Douglas, internetfirma Akamai en biotechnologiebedrijf Genentech. Als MIT een land was geweest, dan zouden er nu meer dan een miljoen mensen werken, het bruto binnenlands product zou zo’n 100 miljard dollar bedragen, en het zou de 24e economie van de wereld zijn geweest.

Ook de kortademigheid van het moderne leven dwingt tot een meer publieke rol voor onderzoek. De wetenschap heeft een eigen ritme. De hartslag is vier jaar, de typische tijd die nodig is om een promotie af te ronden. Vier jaar is kort vanuit het perspectief van de lange adem die nodig is om sommige ingewikkelde problemen op te lossen: een ruimtetelescoop bouwen, het humane genoom ontcijferen of de Laatste Stelling van Fermat oplossen, een probleem dat zelfs meer dan 350 jaar bleek te vragen. Maar vier jaar is lang vanuit het perspectief van de korte adem van de politiek en het bedrijfsleven. De typische levensduur van een Nederlands kabinet nadert de tijdspanne van twee jaar. Een CEO van een groot bedrijf mag blij zijn als hij of zij drie jaar aan het roer mag staan. In de microkosmos van het persoonlijke leven gaat de tijd nog sneller. Men raakt bezorgd als je binnen vijf minuten geen e-mail hebt beantwoord of als je als twitteraar even geen tweet hebt verstuurd. Kennis gedijt niet goed in een atmosfeer van hyperventilatie. Gaan we van wetenschap over naar ‘tweetenschap’?

Universiteiten kunnen wat dat betreft een oase van onthaasting bieden. Alhoewel… mijn werkkamer heeft een automatische lichtschakelaar die reageert op de afwezigheid van beweging. Heel verantwoord in het kader van energiebesparing. Alleen, als ik langer dan tien minuten in gedachten verzonken zit, gaat het licht spontaan uit. Ik zit dan plotseling in het donker en de gedachte is weg.

Naast alle praktische toepassingen hebben de inspanningen van Faraday en Edison ook een prachtig gedenkteken voor de originele gedachte gebracht. Het universele symbool voor een briljant idee is een elektrisch lampje dat aangaat in een gedachtewolkje boven je hoofd. Hoe treffend dat diezelfde technologie nu ongewild het lampje boven mijn hoofd uit wil doen.