Duizend dingendesign

Het Museum der Dinge in Berlijn heeft 15.000 alledaagse voorwerpen in zijn collectie. Design of kitsch? ‘De mens is een emotioneel wezen.’

In een vitrinekast van het Museum der Dinge in Berlijn staan twee radio’s uit de jaren vijftig, begin zestig. De een is een strakke Braun, type ‘Kleinsuper SK 25’; de ander een qua vorm nogal uitbundige Philips ‘Philetta’. De tegenstelling is opmerkelijk – zoals de vele contrasten die hier tussen de tentoongestelde dingen te zien zijn. Wit en zwart, simpel en extravagant, smaakvol en smakeloos: in dit museum word je gedwongen anders naar dingen te kijken.

Het Museum der Dinge, een van de leukere musea van Berlijn, wordt ook wel het Werkbundarchiv genoemd. De Werkbund, opgericht in 1907, zou je nu een lobbygroep noemen. Destijds was deze belangenvereniging van kunstenaars, industriëlen, ontwerpers en architecten erop gericht om het Duitse product te verbeteren en te promoten.

„Made in Germany had toen een ronduit slechte reputatie. Het was een scheldwoord”, zegt museumdirecteur Imke Volkers. De Werkbund wilde aan de kopers van het alledaagse Duitse product duidelijk maken wat goede en slechte dingen zijn. Hun smaak moest worden ontwikkeld. Zo werd de Werkbund in de loop der jaren een „hoge instantie van de smaak”, een kompas voor generaties ontwerpers, producenten en consumenten.

Gebruiksvoorwerpen als borden, kopjes, stoelen, camera’s, radio’s en sigarettendoosjes – gewone industriële producten – moesten van eerlijke materialen zijn gemaakt. „Ze moesten eenvoud en puurheid uitstralen. Geen tierelantijnen, maar strakke vormen. Dat waren voor de Werkbund de belangrijkste criteria”, vertelt museumconservator Renate Flagmeier.

Ze laat voorbeelden zien van het ‘goede’ en het ‘slechte’ product; van de ‘waarheid’ en de ‘leugen’, zoals de Werkbund jarenlang polariserend stelde. De radio’s van Braun en Philips; een kop en schotel van onopgesmukt wit porselein en een set in zwart met gouden randjes en een weelderige versiering. „Zo wilde de Werkbund het dus niet.”

Duitse producten werden mede onder invloed van de Werkbund beter van kwaliteit, hoewel lang niet iedereen de smaakeisen van de belangenvereniging volgde. Die stelde functionaliteit en rationaliteit in de ontwerpen voorop, maar – zoals Renate Flagmeier zegt – „de mens is nu eenmaal een emotioneel wezen. Die wil ook wel eens iets kitscherigs.” In de tijd dat de consumenten mondiger werden, de jaren zestig en zeventig, begon de invloed van de ‘smaakpolitie’ te tanen.

Het museum haalt het smaakaspect naar voren, als wezenlijk onderdeel van de geschiedenis der Duitse dingen. Maar de vaste collectie, bestaande uit ongeveer vijftienduizend voorwerpen, biedt veel meer. In tientallen vitrinekasten zijn de meest uiteenlopende dingen te vinden, ook zonder hun smaakvolle tegenhanger. Er valt veel te zien en veel te herkennen. Ja, zo’n scheerapparaat had m’n vader ook. In de vitrinekast ‘schrift en schrijven’ zijn inktpotten, vulpennen, stempels en loodzetsel ondergebracht, dingen uit de tijd van voor de computer. Oud en afgedaan, en toch hebben we er ooit naar tevredenheid mee gewerkt.

Spannend wordt deze twintigste-eeuwse uitdragerij als producten uit de oorlogsjaren worden getoond. Overblijfsel uit de Eerste Wereldoorlog: een metalen identiteitsplaatje van soldaat Adam Mackowiak, uit de Knesebeckstrasse in Berlijn-Charlottenburg, geboren 24.1.1896. En wat te denken van de Hitlerjaren, toen de nazi’s aan de haal gingen met het nobele gedachtengoed van de Werkbund. Ook zij wilden het simpel en puur houden. „Fort mit dem nationalen Kitsch!”, hielden Hitlers vormgevers de Duitse consument voor. Hakenkruizen mochten wel op vlaggen staan maar niet op kussenslopen; portretten van de besnorde dictator waren taboe op koekblikjes. Respekt muss sein.

Een vitrinekast om lang te bekijken is die met hergebruikte voorwerpen uit de Tweede Wereldoorlog. Van het filter van een gasmasker maakte een inventieve geest een schuimspaan. „Deze transformatie laat zien hoe ‘slechte’ oorlogsdingen een ‘goede’ burgertoepassing kunnen krijgen”, zegt Renate Flagmeier.

De tentoonstelling eindigt in deze tijd. De laatste vitrinekast is vol met computers en mobieltjes. Het Museum der Dinge is allereerst een lofzang op honderd jaar Duitse producten. Het toont de eeuw in smaakvolle, smakeloze en heel gewone dingen. Alledaagse voorwerpen die gemaakt zijn in hét industrie- en productieland van Europa. Een land met een beladen contemporaine geschiedenis: oorlog, chaos, Weimar, crisis, nazi’s, weer oorlog, deling, wederopbouw, eenwording. Dit is het perfecte museum voor wie het geschiedenisboek even wil dichtklappen en de Duitse dingen door de jaren heen hun eigen veelbetekenende verhaal wil laten vertellen.

En wat is tussen die duizenden voorwerpen nu het favoriete ding van conservator Renate Flagmeier? „Een blikken sigarettendoosje uit de jaren twintig, met alleen maar een M van het merk erop, Manoli. Dit is precies zoals de Werkbund het graag wilde: eenvoudig, essentieel, puristisch.”