De glaszetter van Bagdad

De markteconomie waar de VS op hopen komt langzaam tot bloei in Irak. Maar de winnaars van de oorlog wonen in de buurlanden.

In deze stad van voortdurende vernietiging zijn er weinig zo ambachtelijk als hij. Dat is niet wat glaszetter Tahsein Salim over zichzelf zegt. Hij is een bescheiden man. Ze zeggen het over hem. Hij veroverde de job waar alle collega’s in Bagdad jaloers op zijn. Het Palestine Hotel, om de hoek van het plein waar Saddam Hussein in 2003 van zijn voetstuk viel, garandeert al zeven jaar werk voor mannen van zijn soort. Minder dan een half jaar voor de terugtrekking van de Amerikaanse gevechtstroepen vertelt het werk van deze glaszetter evenveel over het bloedige verleden van Irak, als over de spelers die de toekomst van dit land gaan bepalen.

Het karwei van glaszetter Salim begon met de aprildag in 2003, toen een Amerikaanse tank op dit achttien verdiepingen tellende hotel vuurde. Twee journalisten dood, drie gewonden, talloze ramen aan diggelen, een klus van weken.

Toen kwam de spectaculaire aanslag van 24 oktober 2005. Een zilveren Mitsubishi-bus, zo’n bus waar schilders en glaszetters als Salim in rijden, ramde zich in de betonnen ring van blast walls rondom het Palestine. De explosie was krachtig genoeg om een van de muren te vellen en de Iraakse bewakers op de vlucht te jagen. In de rook verscheen een vrachtwagen met een betonmolen, die het gemunt had op de lobby van het Sheraton Hotel, recht tegenover het Palestine. Tahsein Salim zag die aanslag niet met eigen ogen gebeuren, hij zag het later op het televisiejournaal. De wagen raakte verstrikt in een rol prikkeldraad. Een oplettende Amerikaanse soldaat schoot de chauffeur door het hoofd, maar het schot kwam net te laat. De explosie blies ramen en kozijnen uit alle gebouwen die zich in de wijde omtrek bevonden. In die tijd was Thasein Salim nog werknemer, van het bedrijf van zijn buurman Taksin. Maar Taksin was er eigenlijk nooit. Salim deed het werk.

Dus toen afgelopen januari weer een bomauto alle ramen uit de voorgevel van het Palestine blies, belde het management hem rechtstreeks voor een contract ter waarde van 120.000 dollar. „Het is een grandioze klus”, zegt hij, voor het geval dat nog niet duidelijk is. Achter zijn rug ligt een weide van glas. De lobby, de sauna, het fitnesscentrum, de bar bij het zwembad, de lounge, en de tientallen hotelkamers: allemaal glas, allemaal aan duigen. „Ik ben hier zeker nog tot augustus bezig”, schat hij. De klus is zo omvangrijk dat hij zijn werkplaats en winkel verderop in de stad gesloten heeft. Tot aan de zomer woont en werkt Thaseim Salim in het Palestine Hotel.

Sisyfusarbeid lijkt het, zinloos maar het betaalt. „Dat speelt wel vaak door het hoofd. Al dit werk kan in een seconde weer vernietigd zijn.” Maar wat moet hij anders?

Zijn grootste angst is dat zijn succes te veel in het oog zal springen. De zoon van een collega-glaszetter werd al ontvoerd door een van de vele criminele bendes die in deze stad actief zijn. Hij kreeg zijn zoon terug nadat hij had betaald.

Je zou glaszetters als hem winnaars van de chaos van de afgelopen zeven jaar kunnen noemen, die op het eerste oog alleen verliezers kent. „,Ja, ik profiteer van de ellende van een ander. Maar het is nog altijd beter dat ze ons Irakezen in de arm nemen, in plaats van buitenlandse bedrijven”, zegt Salim beslist. „Direct na de invasie gingen alle contracten naar bedrijven buiten Irak. Maar die waren veel duurder, en ze deden niks.”

Maar Salim is slechts de laatste schakel in een voedselketen waarin opmerkelijk weinig Iraakse bedrijven zitten. Het glas dat dagelijks door zijn handen glijdt is niet Irakees. Netzomin als de kogelwerende ruiten die hij onlangs in de vergaderzalen zette van Amerikaanse investeerders en de geblindeerde ruiten in het ministerie van Defensie. Allemaal afkomstig uit het buurland dat de Amerikanen met sancties zo graag willen isoleren: Iran. „Irak had in de tijd van Saddam een aantal grote glasfabrieken. Maar ze overleefden de sancties niet na de oorlog tegen Kuweit. De grootste fabriek in Ramadi moest worden gesloten op last van de wapeninspecteurs van de VN. Die dachten dat er chemische wapens werden geproduceerd. Dus nu komt al het glas van de oude vijand.”

Sinds het begin van de Irak-Iranoorlog in 1980 zijn de banden tussen de twee buurlanden niet zo goed geweest. Na de val van de sunniet Saddam Hussein, knoopte de nu door shi’ieten gedomineerde regering van Irak de banden met het shi’itische buurland aan. Iran is nu Iraks belangrijkste handelspartner, de helft van de invoer in Irak komt van de oosterburen. Iran hoopt die handel in 2010 in waarde te verdubbelen tot 8 miljard dollar per jaar met tal van nieuwe overeenkomsten, noteerde het persbureau Reuters onlangs uit de mond van de Iraanse consul in Basra. De uitslag van de parlementsverkiezingen in Irak van begin maart beloven aan die warme relaties niks te veranderen.

Glaszetter Salim zet een kozijn in de bankschroef. Hij snijdt, schaaft en meet of het past. Alle bewegingen zijn routineus, hij vergist zich niet één keer. Vanuit dit standpunt moet hij nog wel eens grinniken over de economie die buiten zijn werkplaats ontluikt. Het zijn de buitenlanders die hem zijn werk bezorgen. Het kanonvuur van de Amerikanen, of de terreur van zelfmoordenaars van wie het gros ook over de grens komt: Syrië, Saoedi-Arabië. Maar ook een groot deel van de elektriciteit waarop zijn glassnijder draait komt van over de grens: uit Iran, en uit Turkije.

Stroom is schaars in Irak. Dat is al zo sinds de Golfoorlog begin jaren negentig en de sancties tegen het regime van Saddam Hussein die daarop volgden. Het probleem verbreidde zich na de invasie van de Amerikanen in 2003. Minder dan een kwart van de Irakezen krijgt de stroom die ze nodig hebben.

Dus is glaszetter Salim net als de meeste Irakezen afhankelijk van de generator. Er worden er honderden van verkocht in de wijk Karada, waar Salim zijn werkplaats heeft. Verkoper Basem Ahmed Ali heeft ze in alle soorten en maten. „Deze komt uit Korea, en deze uit China.” En de benzine waarop die generatoren draaien: „Veel komt uit Iran. Dat is natuurlijk raar. Ons land heeft zoveel olie onder de grond. Maar onze industrie produceert nog steeds niet voldoende.” Nog altijd produceert Irak minder olievaten per dag dan voor de invasie.

Als het over ruwe olie gaat weten westerse bedrijven het land nog te vinden. In de afgelopen vier maanden werden liefst tien deals gesloten met grote internationale producenten. Maar in andere sectoren blijven westerse investeerders huiverig over de veiligheid. Op de eerste handelsbeurs vorig jaar waren slechts 3 van de 396 bedrijven Amerikaans. Bedrijven uit buurlanden springen in de gaten.

Neem het beton in de manshoge blast walls rondom het Palestine Hotel en de vele andere symbolen van welvaart en macht in deze stad. De betonnen muren bepalen het landschap. Ze verdelen de stad. Het plaatsen van de muren is een business op zichzelf. Het gebeurt alleen in het holst van de nacht, tussen twaalf en vijf als de avondklok van kracht is. Dan komen de vrachtwagens met hun opleggers en gemaskerde mannen om de muren te plaatsen. Er waren jaren dat er 2.000 muren per nacht omhoog werden getrokken. Bagdad versteent. De betonnen plakken zijn een Koerdisch product. Ze komen van een fabriek in Gopola, in het noorden van Irak dat onder bestuur staat van de autonome Koerdistan Regionale Regering. Het beton komt uit Turkije. Volgens de schrijfster Naomi Klein (The Shock Doctrine) zijn er zeventien Iraakse staatsbedrijven die dat cement zouden kunnen produceren. Maar geen van die bedrijven kreeg een contract voor de wederopbouw van het eigen land.

Werkloosheid is boven de 30 procent (van de beroepsbevolking) in Irak. Sommige statistieken zeggen 45 procent in de stad, 80 procent op het platteland. Niettemin overspoelen migranten uit Azië nu het land, aangemoedigd door de Iraakse regering. Ze brengen de thee, schrobben de vloeren. Kindermeisjes uit de Filippijnen, schoonmakers uit Bangladesh. In het Palestine Hotel staat een Chinese kok in de keuken. Hij kookt speciaal voor de achttien techneuten van een Chinees telecommunicatiebedrijf dat telefoon en internetverbindingen aanlegt. „Ik herinner me nog goed mijn eerste klus voor de Amerikanen”, zegt glaszetter Salim. „Toen ik alle ruiten gezet had zeiden ze: je bent de eerste Irakees die zijn werk goed doet. Ze vertrouwen ons niet.” De Irakese beleidsmakers vertrouwen hun volk niet, het volk de beleidsmakers niet. Op de lange lijst van corrupte landen van Transparancy International bungelt Irak nog altijd onderaan, op de op vier na slechtste plaats.

Glaszetter Salim hoeft zich niet druk te maken over zijn dochter van tien en zoon van acht. Met de 120.000 dollar van het contract van het Palestine Hotel kom je in dit land een heel eind. Maar hij kent de verhalen van de Irakezen uit zijn straat die met meer onzekerheid de dag door moeten komen. Hij komt dagelijks bij ze over de vloer. Neem de dames van het reisbureau van Iraqi Airways. Ook in dat kantoor kennen ze de verwoesting van een autobom. Het plafond is nog altijd niet gerepareerd sinds de laatste explosie. De glaszetter moet nog komen.

Anders dan Salim worden de dames door de staat betaald. Ze zijn in dienst van het ministerie van Transport. De staat is hier nog altijd de grootste werkgever. Ze willen hun namen niet in de krant, want ze hebben over het nieuwe Irak dingen te vertellen die het daglicht niet kunnen verdragen. Hoe bestaat het, vragen ze, dat de minister van Transport ze twee dagen voor de verkiezingen een extra maand salaris uitbetaalde? „En toen hij tijdens de verkiezingen maar 150 stemmen gehaald bleek te hebben, van vrienden en familie, stuurde hij een brief waarin stond dat we het allemaal weer terug moesten betalen”, vertelt de oudste op kantoor. Deze maand krijgt ze slechts de helft van haar salaris uitbetaald, uit straf voor het verlies van haar baas.

Irakezen konden in slechte tijden altijd terugvallen op het rantsoenensysteem dat werd ingesteld onder de sancties tegen Saddam. Vroeger was met die kaart alles te krijgen: rijst, erwten, bonen, thee, waspoeders, zeep, kaas, suiker. Het bonnensysteem bestaat nog maar verkruimelt onder de marktwerking. „Suiker is al negen maanden niet te krijgen. Wel in de winkels, maar daar kost het me te veel”, zegt de medewerker van Iraqi Airways. Ze is alleenverdiener. Haar echtgenoot kwam om het leven in de oorlog tussen Irak en Iran. „De regering laat de prijzen maar stijgen, terwijl ze weten dat onze lonen achterblijven. Ze willen dat we op eigen benen leren staan en niet meer op de staat vertrouwen. De Amerikanen hebben ze dat verteld. Maar wat hebben de Amerikanen voor ons gedaan? Ze hebben niets goeds gebracht. In de tijd van Saddam waren er wel sancties, maar er was ook veiligheid. Ons land is kapot gemaakt.”

Glaszetter Salim steekt zijn handen in de zakken op zijn bolle buik. De tl-lichten in de werkplaats zijn aan, de zon gaat onder en in de moskee verderop kondigt de muezzin het einde van de dag aan. Zijn werk is nog lang niet af, net als zijn land. „Maar ik ben eigen baas nu. Ik verdien mijn eigen geld.” Tot de volgende bom. „Ik hoop het niet, heus. Als God het wil.”

Met medewerking van Esmeralda van Boon.