De boze autist 2

Wetenschapsbijlage, 06-03 en 20-03-10

In ‘De boze autist’ stelt Draaisma dat er sprake is van een vreemde trend om autisme in verband te brengen met criminaliteit. Dat baseert hij op vonnissen over daders met een autismespectrumstoornis, waaronder het syndroom van Asperger en PDD-NOS. Deze vonnissen vond hij op www.rechtspraak.nl. Hij trof daarin verwijzingen naar en soms beperkte citaten uit psychiatrische en psychologische rapportages over de dader en diens psychische stoornis. Wetenschappelijk gezien slaat Draaisma de plank mis: www.rechtspraak.nl bevat slechts een beperkte selectie van alle uitspraken over psychisch gestoorde daders en bovendien bevatten deze uitspraken vaak summiere, soms onjuiste samenvattingen en incorrecte citaties uit de rapportages. Draaisma maakt nog een denkfout. Hij haalt in zijn artikel wetenschappelijke literatuur aan over delinquent gedrag bij autisme. Terecht concludeert hij dat mensen die lijden aan autisme zelden gewelddadig zijn. Hij vergeet echter dat dergelijke onderzoeken over grote groepen gaan. Dat is wat anders dan het gedragskundig onderzoek bij een individuele verdachte van een misdrijf. Forensische psychiaters en psychologen verrichten in opdracht van de rechter nauwkeurige diagnostiek bij een verdachte en onderbouwen een eventuele diagnose met een veelheid van bronnen en informatie die uiteraard niet is gebaseerd op alleen het delict waarvan de persoon wordt verdacht. Uit zo’n onderzoek kan inderdaad blijken dat de verdachte lijdt aan een autismespectrumstoornis. Cruciaal is vervolgens de beantwoording van de vraag waarin déze verdachte zich onderscheidt van andere mensen met die stoornis. Verder is natuurlijk de vraag belangrijk of er sprake is van relevante andere stoornissen. Draaisma wijst zelf op een uitspraak waarin bij de dader van ontucht met jonge kinderen naast een autismespectrumstoornis ook pedofilie is vastgesteld. Hij doet dit af als irrelevant, maar iedere behandelaar van seksuele stoornissen weet hoe belangrijk het is om bij patiënten het persoonlijkheids- en ontwikkelingsprofiel in kaart te hebben. Dat maakt een wezenlijk verschil in de therapie.Psychologen en psychiaters die voor de rechter een gedragskundig rapport schrijven over een verdachte, spreken zich uit over de vraag of – en zo ja, hoe – psychische beperkingen van een individuele verdachte een rol hebben gespeeld bij het delict (indien bewezen). Zij doen geen algemene uitspraken over het verband tussen psychische stoornissen en delinquent gedrag, anders dan Draaisma suggereert.

Pieter Ronhaar en Ronald Rijnders

psychiaters, Nederlands Instituut voor

Forensische Psychiatrie en Psychologie