De boer maakt zich zorgen als varken hoest

Is er nog toekomst voor jonge boeren nu de megastallen onder vuur liggen? Gesprek aan de keukentafel: „We willen een rendabel gezinsbedrijf.”

Drie jonge boeren en de vrouw van een van hen praten deze lenteavond met elkaar aan een keukentafel in een boerderij in Handel, bij Helmond. Twee varkensboeren en een koeienboer. Ze willen in de voetsporen van hun ouders treden. Ze vinden niets mooier dan boer zijn. Maar is er voor hen nog een toekomst?

Vorige week vrijdag besloot de provincie Noord-Brabant de groei van veehouderijen een halt toe te roepen. Boeren mogen maximaal nog op 1,5 hectare bouwen en zich niet op nieuwe plekken vestigen. De aanleiding voor het besluit was een petitie waarin ruim 33.000 Brabanders vroegen om een verbod op megastallen.

Het gesprek vindt plaats in melkkoeienboerderij waar de lange Fons van Katwijk (30) opgroeide. Van Katwijk woont er sinds drie weken met zijn vrouw Liesbeth Broers (31). Zij is de dochter van een varkenshouder. Naast Van Katwijk zit de stugge Henk Gerrits (30) die biggen fokt voor vleesvarkenshouders. Tegenover hem de verlegen, licht stotterende Marco Opheij (34), een boer met 500 zeugen en 3.000 vleesvarkens.

Vol spanning volgden ze het debat over megastallen, vorige week vrijdag. Ze vreesden een bouwstop. De uiteindelijke beslissing viel hen mee. De beperkingen die de provincie oplegt, deren hen niet.

Liesbeth en Fons willen uitbreiden. Nu werken ze allebei nog fulltime buiten de boerderij en verzorgt de vader van Fons de de koeien. In de toekomst wil Liesbeth haar baan opzeggen en willen ze groeien van vijftig naar 120 melkkoeien. Dat kan gemakkelijk op de 1,5 hectare die de provincie toestaat.

Liesbeth schenkt koffie in en haalt voor haar man en haarzelf een afbak pizza uit de oven. „We hebben nog niet gegeten”, zegt ze verontschuldigend. Als ze uit hun werk komen, gaan ze eerst de koeien melken.

Wil je op meer dan 1,5 hectare bouwen, dan kun je een tweede locatie kopen, vindt Marco. Dat heeft hij ook gedaan. Kleinere bedrijfslocaties passen volgens hem beter in de Nederlandse natuur. Voor stallen met 50.000 varkens is in Nederland geen plek. „Megabedrijven moeten maar naar het buitenland.” De anderen zijn het daar mee eens. Wat zij willen is een rendabel gezinsbedrijf.

Ze vinden het minder leuk om boer te zijn, nu de kritiek op megastallen aanzwelt. Ze hebben het gevoel dat ze sinds een jaar met de nek worden aangekeken. Henk leest de krant niet meer, bang voor negatieve berichten over fijnstof of ammoniak. Hij ergert zich aan onnozele burgers die op verjaardagsfeestjes beweren dat er geen licht binnenkomt in varkensstallen. Ze moesten eens weten hoe erg hij het vindt als hij zijn varkens hoort hoesten, wanneer ze kou hebben gevat.

Liesbeth vindt het vreselijk te horen wat in de vergaderingen van de gemeente of de provincie over boeren wordt gezegd. „Dat wij alle beesten op elkaar proppen. Dat dieren alleen maar ziekteverwekkers zijn.” De anderen knikken. Dat doet pijn.

De burgers willen dat boeren kleinschaliger produceren, dat ze milieuvriendelijker werken, dat ze dieren meer ruimte bieden. Maar ondertussen verdommen ze het om meer te betalen voor hun stukje vlees. Het maximale marktaandeel dat biologisch vlees ooit haalde was drie procent. En dat loopt nu ook weer terug als gevolg van de crisis. Fons: „Nederlanders geven tien procent van hun inkomen uit aan voedsel. Dat is heel weinig.”

Bier, bioscoopkaartjes, alles wordt steeds duurder. Maar varkensvlees niet, vertelt Marco. „Begin jaren negentig kostte een big 95 gulden. Nu ben ik blij als ik er 43 euro voor krijg.” Ondertussen zijn elektriciteit en grond wel duurder geworden, vult collega varkenshouder Henk aan. „Ik heb nu twee keer zo veel biggen nodig, voor hetzelfde inkomen. Ik wil liever niet van 420 naar duizend zeugen, maar ik moet straks wel, anders krijg ik mijn financiering niet rond.”

De financiering is een struikelblok voor veel boerenkinderen die het bedrijf van hun ouders over willen nemen. Fons: „Met een bedrijfsovername steek je je tot over je oren in de schulden. Vaak dik over een miljoen.”

Nee, voor het geld kun je beter bij een baas blijven werken voor 36 uur per week met tien weken vakantie, weten de jonge boeren. Dan heb je ook meer zekerheid. Maar boer zijn is mooier, vinden ze alle vier. Ze houden van de vrijheid, van ondernemen, van dieren.

„Geen mens staat dichter bij de natuur dan de boer”, vindt Fons. De koeien, het gras, de maïs; ze vervelen hem nooit. De jonge boeren zijn opgegroeid met dieren, ruimte, ouders die altijd thuis waren. Ze vinden het prachtig het levenswerk van hun ouders voort te zetten. Marco: „Het zit in ons hart.” Hij verlaat zondagmiddag met liefde om vier uur een feestje om voor zijn dieren te zorgen.

Ze hopen dat nu een overgangsfase aanbreekt, zodat ze duurzamer kunnen gaan produceren en hun imago verbetert. Ze zien hoopgevende ontwikkelingen. Zoals de Albert Heijn die samen met de dierenbescherming varkensvlees met een ster in de schappen legt. En de spotjes van Wakker Dier. Daarin wordt duidelijk dat mensen voor kip in Sheba kattenvoer graag twaalf euro per kilo betalen, terwijl ze zelf kiezen voor de kiloknaller.

De wangen van Liesbeth worden roder. Op tafel verschijnen, tussen de asbakken en de lege kopjes koffie, steeds meer lege flesjes bier.

Alle vier geloven ze heilig in een toekomst voor jonge boeren in Nederland. Met minder boeren en een aantal dieren dat gelijk blijft, dat wel. Fons: „Als ik zo weer met Liesbethje de stal in loop, dan weet ik: dit is hartstikke mooi.”