De Amerikaanse overheid is huisjesmelker geworden

De Amerikaanse overheid blijft ongewild achter met de resten van de crisis: een tankstation, vervallen woningen en vleesresten in een koelkast die al anderhalf jaar uit staat.

Nog niet zo lang geleden was Prospect House een van de betere trouw- en evenementenlocaties in het zuiden van Amerika. In de bruidskamer ligt meeverend tapijt met een speciaal ontworpen barokachtig patroon. De kroonluchters in de grote zaal lichten bedrijfsbanketten stemmig bij. En voor lome zomeravonden was er een zogeheten wrap around porch, een veranda die zich om het witte huis in neokoloniale stijl heen krult. Elk weekend waren er twee huwelijken, doordeweeks twee zakendiners.

Nu is het in verval geraakte Prospect House in overheidshanden. De overheid bezit nu de bak met brak water die ooit de vijver voor koikarpers was en de vergeelde huwelijksaankondiging van Nicole & Steven Chitty, ergens in een vensterbank. En diezelfde overheid is verantwoordelijk voor de riekende inhoud van de koelkast die anderhalf jaar niet is gebruikt. Wat daar ligt, was ooit vlees.

„Wow, doe die deur maar dicht”, zegt Brian Patton dwingend, en om overgeefreflexen te onderdrukken loopt hij snel naar buiten. Daar staan stapels gebaksbordjes nog op de afwas te wachten. „Het is hier eigenlijk goed toeven voor daklozen”, zegt hij. „Alles wat ze nodig hebben.”

Patton is een blanke 42-jarige met een zuidelijk accent en een even zacht karakter. Hij is makelaar maar noemt zichzelf liever bestuursvoorzitter van Georgia Bank Assets. De staat Georgia, in het zuiden van de VS, is zijn werkgebied en de ‘bank assets’ uit de bedrijfsnaam zijn de bezittingen van omgevallen banken waar hij een koper voor probeert te vinden.

Het werkt zo: als bedrijven hun hypotheek niet langer kunnen betalen, worden de bezitters op straat gezet en neemt de bank de panden over. Maar als die financiële instelling daarna zelf ook in de problemen komt – dat gebeurt nog steeds elke week – moet de overheid ingrijpen. De bank valt om en bankentoezichthouder FDIC wordt plots eigenaar van de bankbezittingen. En zo eindigen huizen, bedrijfspanden en zelfs een tankstation in overheidshanden: het is een ongewild neveneffect van de crisis. De overheid als huisjesmelker.

Tussen 2004 en 2006 kwam dit nauwelijks voor. Toen kreeg de overheid in heel de VS in totaal slechts zes woningen in handen. Maar de markt voor woningen en commercieel vastgoed stortte in en nu zijn het ruim 3.000 woningen en bedrijfspanden – en dat aantal blijft stijgen. De overheidsdienst in kwestie is zo overladen met werk dat van de helft van die panden nog niet eens een inventarisatie is gemaakt. De andere helft is terechtgekomen bij figuren als makelaar Patton. In opdracht van de overheid mag hij een poging doen ze te verkopen.

Hetzelfde overheidsorgaan dat deposito’s van burgers garandeert en beslist over het welzijn van de banken – de tijdens de Grote Depressie opgerichte Federal Deposit Insurance Corporation – „is daarmee simpelweg huisjesmelker geworden”, concludeert Patton. De FDIC betaalt de onroerendezaakbelasting. Regelt dat het gas, water en licht af- en hopelijk ooit weer aangesloten wordt. Draagt zorg voor de beveiliging. En om dat alles te coördineren is er een lijst op de voormalige bar van het Prospect House vastgeplakt. „United States/FDIC Property Sign In Sheet.” Mensen als Chris, Red, Erik en James hebben daarop hun komst en activiteiten gedocumenteerd. „Lawn cut” staat er. Gras gemaaid. Anders wordt er nooit een koper gevonden.

Patton heeft praktische bezwaren tegen zakendoen met de overheid. De FDIC opereert ongelooflijk traag, vindt hij, en secuurder dan hij gewoon is. Ook principieel staat het hem tegen: hij wantrouwt de overheid intens. Pattons argwaan houdt gelijke tred met de toenemende bemoeienis van de overheid in de economie. „Ik zie de hele boel liever in rook opgaan dan dat de overheid haar socialistische agenda verder doorzet.”

Hij meent dat. Maar hij heeft ook een gezin. En een inkomen dat het laatste jaar onder druk van de wegzakkende zakelijke vastgoedmarkt met de helft is teruggelopen. Daarom heeft hij zich toch maar op deze groeimarkt gestort. „Ik heb geen keuze. Niemand is op dit moment geïnteresseerd in vastgoed dat niet in handen is van de bank of de overheid. Particuliere partijen die hun panden aanbieden vragen immers niet zulke bodemprijzen als de bank of de FDIC die van de troep af willen.”

Dat is exact de paradox waarmee de FDIC worstelt. Het overheidsorgaan heeft als primaire taak paniek te voorkomen en de stabiliteit in de financiële sector te bevorderen. Maar tegelijkertijd verpest het zelf de markt. Door bodemprijzen te bieden blijven private partijen met hun vastgoed zitten, raken ze verder in aflossingsproblemen, waarop de bank geen andere mogelijkheid ziet dan ze op straat te zetten. Daardoor laten de banken zelf weer slechtere cijfers zien, vallen ze om – en een vicieuze cirkel is gecreëerd.

Neem Prospect House. Twee jaar geleden was het nog 1,7 miljoen dollar waard. Maar extravagante huwelijken raakten uit de mode, op bedrijfsdiners werd beknibbeld. De vorige eigenaar moest een nieuwe lening afsluiten, maar de bank weigerde, de eigenaren gingen failliet en uiteindelijk viel ook de bank zelf nog eens om. De vraagprijs is nu 600.000 dollar.

Als Patton – naar eigen zeggen een „Christian man” – na de bezichtiging wegrijdt in zijn zwarte pick-uptruck ziet hij bij een kerk een stichtelijke tekst staan: „Hij verruilde straten van goud voor twee stukken hout.” De makelaar grijnst om de ontkoppeling tussen de Jezus van het bord en zijn vastgoedprojecten. Het „huidige Amerikaanse sfeertje van het demoniseren van kapitalisme” zint hem totaal niet. „Geld verdienen zou opeens slecht zijn, het bedrijfsleven het werk van de duivel en de overheid de oplossing.” Onzin, zegt hij. „Dit land is juist groot geworden dankzij kapitalisme – vermengd met een beetje hebzucht.” Hij hoopt op een koper met dezelfde eigenschappen.

Meer Amerikaanse crisisreportages via nrc.nl/minder