Dandy Moti leunt op vorm en suggestie

Beeldende kunst. Tentoonstelling: Melvin Moti, From Dust to Dust. T/m 25 april in Wiels, Van Volxemlaan 354, Brussel. Wo t/m za 12-19u, zo 11-18u. Inf. www.wiels.org **

Melvin Moti presenteert zichzelf als een dandy. Op zijn solo in Wiels in Brussel ontvangt hij ons in een precieus ingerichte ruimte (inclusief enorme wand van diepblauw moiré, een origineel schilderij van Sir Joshua Reynolds en een handgesneden houten lessenaar en piëdestal) om daar te verhalen over falen en mislukking.

Hij vertelt over Charles Cros, een negentiende-eeuwse uitvinder die als eerste een soort platenspeler bedacht, maar daarvoor nooit erkenning kreeg. Over allerlei manieren waarop stof in ons leven is geïntegreerd. En over Ernst Moiré, een fotograaf die per ongeluk de naamgever werd van de moirétechniek, maar daar zelf niks aan had gedaan.

Maar vooral pakt Moti uit met James McNeill Whistler, de schilder en beroepsprovocateur die in 1876 tegen de wil van zijn rijke opdrachtgever de wanden van diens eetkamer eerst groenblauw schilderde om ze vervolgens te versieren met weelderige gouden pauwen. Daarmee bevatte deze Peacock Room in de visie van Moti niet alleen kunstwerken, het werd ook zelf als geheel een werk – en daarmee de eerste ‘installatie’ in de geschiedenis.

Moti verwijst nadrukkelijk naar Whistler omdat hij zelf iets soortgelijks wil doen: een groot, overkoepeld kunstwerk maken dat niet alleen afzonderlijke mededelingen doet, maar sferen en ideeën oproept, om de toeschouwer vervolgens mee te slepen in een spel van suggestie en evocatie. Of, om het simpeler samen te vatten: Moti bouwt met From Dust to Dust een eigen wereld en hoopt dat de toeschouwer daarin meegaat.

Daar moet die toeschouwer wel moeite voor doen. Moti geeft namelijk niks cadeau, sterker nog: als een ware dandy leunt hij vooral op vorm en suggestie. Zo toont hij geen volledig overzicht van de Peacock Room, maar alleen vier foto’s met minieme details waar je weinig mee opschiet. En dat geldt ook voor de andere objecten, zoals de medaille tegen een achtergrond van moiré, een camee met de beeltenis van Cros of een flesje met 0,3 gram negentiende-eeuws stof. Als voorwerpen, objecten zijn ze bijna niks, maar ze zijn wel beladen met verhalen, met de geschiedenis en de suggestie waar Moti zo van houdt.

Alleen is dan de vraag: wat moet je nu als toeschouwer?

Het antwoord lijkt vooral te schuilen in de manier waarop Moti zijn publiek probeert te prikkelen. Dat doet hij niet alleen door welbewuste karigheid, maar ook door, tamelijk romantisch, afstand te creëren in de geschiedenis. Bijna alle voorwerpen op From Dust to Dust komen uit de achttiende of negentiende eeuw of refereren daaraan, wat ze extra beladen maakt.

Tegelijk, en dat is eigenlijk interessanter, speelt Moti subtiel in op een zwakke plek in de hedendaagse kunst. Die werkt simpel: kunstbeschouwers smelten bij bosjes als een kunstenaar nadrukkelijk laat zien dat hij veel onderzoek heeft gedaan, zich lang heeft verdiept in de materie, zijn keuzes zorgvuldig heeft gemaakt en zijn werken met veel precisie uitvoert. Dat is bijna een toverformule: ‘ernst + zorgvuldigheid = kwaliteit’ – zoiets. Niet voor niets duikt die manier van werken steeds vaker op, zodat zou je al voorzichtig kunt spreken van een nieuwe stroming: het decadent conceptualisme. Die wordt aangevoerd door Moti en Willem de Rooij, een andere Nederlandse kunstenaar die weelde en precisie tot de hoofdkenmerken van zijn oeuvre heeft gemaakt.

Als er op From Dust to Dust echter één ding duidelijk wordt, dan is het dat schaarste, ernst en zorgvuldigheid niet altijd kwaliteit opleveren – terwijl Moti dat wel lijkt te geloven. In zijn ijver om veel te suggereren en weinig te tonen, overspeelt hij zijn hand. In Moti’s hoofd mag de combinatie van Whistler, stof (op de tentoonstelling draait ook nog een ambitieuze film waarin patronen in de accumulatie van stof worden vertoond), mislukking, Reynolds en moiré vanzelfsprekend samengaan, hij weet dat niet voldoende over te brengen – niet in de beelden en zelfs niet in het boekje met verklarende teksten dat een integraal onderdeel van de expositie vormt.

Daarmee wordt meteen de keerzijde van Moti’s werkwijze zichtbaar: op het moment dat je er als toeschouwer niet in slaagt wat puzzelstukken aan elkaar te haken, blijf je achter met het gevoel een lompe zak te zijn, een beperkte geest die te weinig verfijnd is om de subtiele bedoelingen van de kunstenaar te kunnen doorgronden.

Dat is waarschijnlijk niet Moti’s bedoeling, maar het geeft wel te denken welk beeld er in het hoofd van deze toeschouwer achterbleef toen hij From Dust to Dust verliet: dat van een dandy, die zijn publiek met veel pomp and circumstance wil betoveren, maar tegelijk zijn minachting niet helemaal kan verhullen. Wat dan wel weer prachtig in de negentiende-eeuwse traditie past.