Beroep op 'joods-christelijke traditie' lijkt vanzelfsprekend maar is pervers

Wie zich, zoals PVV-leider Geert Wilders, beroept op de joods-christelijke traditie om daarmee de islam buiten de deur te houden, maakt zich schuldig aan een groteske verdraaiing van de geschiedenis.

Historicus en als hoogleraar journalistiek verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Dit is een verkorte versie van een lezing, gehouden voor het Menasseh ben Israel Instituut.

De Nederlandse kerken moeten hem steunen in zijn strijd tegen de islam, zei Geert Wilders deze week in een tevoren opgenomen boodschap ter gelegenheid van het symposium ‘Kansen voor kerken’, georganiseerd door de Vereniging voor Kerkrentmeesterlijk Beheer in de Protestantse Kerk. De islam is immers een „vreemde eend in de bijt” van de Nederlandse cultuur, in tegenstelling tot jodendom en christendom.

Nog sterker dan Fortuyn heeft Geert Wilders zich ontpopt als de zelfverkozen verdediger van al wat joods is, zowel in Israël als daarbuiten. De vraag is hoe dit uitgesproken filosemitisme moet worden geduid, afgezien van Wilders’ persoonlijke ervaringen, opgedaan als vrijwilliger in een Israëlische kibboets. Gaat het om een specifiek Nederlands fenomeen of is sprake van een fundamentele verschuiving in de rechts-populistische ideologie?

Voor beide argumenten valt iets te zeggen. Antisemitisme heeft in Nederland, politiek gezien, nooit enige status kunnen verwerven. Tot aan de Tweede Wereldoorlog was weliswaar sprake van sterke anti-joodse sentimenten en een religieus en cultureel geïnspireerd antisemitisme, tegelijk gold antisemitisme als weinig fatsoenlijk. Met het groeiend besef welk lot de Joodse bevolking tijdens de bezettingsjaren had getroffen, verdween het vanaf de jaren zestig zelfs min of meer uit het openbare discours.

Rechtse en populistische partijen in Nederland hebben zich op dit punt dus altijd onderscheiden van de ideologische familie waartoe Le Pen, wijlen Jörg Haider of De Winter behoren. Hun wortels liggen in kringen met een donkerbruin en pikzwart verleden. Daarvan is in Nederland geen sprake: de stamboom van Wilders reikt niet ver terug, al zullen veel vroegere aanhangers van kleine rechts-extremistische partijen zich tot de PVV hebben bekeerd.

Wilders en andere nieuwe populisten ontlenen hun opvattingen aan heel andere bronnen. Deze zijn ontstaan in een ander tijdsgewricht, met het einde van de Koude Oorlog en de uitbreiding van de Europese Unie als begin, en 9/11 als omslagpunt – een proces dat omschreven kan worden als de opkomst van een nieuwe ideologie, geschraagd door ideeën over een westerse morele suprematie, verankerd in ‘de joods-christelijke traditie’ en bedreigd door een onvermijdelijke clash of civilizations. Uit deze ideologische bron put ook Wilders – en hij is bepaald niet de enige.

De snelheid waarmee dit vertoog zich in het westerse politieke denken heeft genesteld, is indrukwekkend. Een verkennend onderzoek in de database van de gezamenlijke Nederlandse kranten laat zien dat het adjectief ‘joods-christelijk’ aanvankelijk vrijwel alleen maar werd gebruikt in een religieuze en morele betekenis. Begrijpelijk, want de relatie tussen jodendom en christendom is – hoewel allerminst onomstreden – diep verankerd in het theologische en filosofische denken. Zo is begin jaren negentig 60 procent van de artikelen te vinden in één krant, namelijk Trouw, niet verwonderlijk gelet op haar christelijke achtergrond. De volgende jaren vond een eerste, aarzelende verschuiving plaats. Het aantal artikelen waarin het begrip voorkomt, steeg van gemiddeld vijfentwintig per jaar over 1990-1994 tot net boven de veertig over de jaren 1995-1997, waarvan de helft in Trouw; tussen 1998 en september 2001 nam het aantal verder toe tot zestig, waarvan eenderde in Trouw.

De ommekeer komt met de aanslag op het WTC. Tussen 11 september 2001 en december 2005 steeg het aantal artikelen waarin de term ‘joods-christelijk’ voorkomt – in combinatie met de termen ‘traditie’ en ‘cultuur’ – tot niet minder dan 230 per jaar, om vanaf 2006 verder toe te nemen tot 450 artikelen per jaar. Trouw neemt inmiddels geen speciale positie meer in, een logische uitkomst van de verschuiving in het gebruik van de genoemde begrippen.

Werd de combinatie ‘joods-christelijk’ en ‘islam’ tot 2001 nog maar gevonden in tien procent van de artikelen, vanaf 2001 gaat het om bijna de helft van de stukken. Ook combinaties met ‘Turkije’ (10 procent) en ‘Europa’ of de ‘Europese Unie’ (30 procent) zijn sterk in aantal gestegen. Ten slotte kan een groot deel van de artikelen worden verbonden met Fortuyn (10 procent), het CDA (20 procent) en Wilders (30 procent) – een lijst die overigens flink kan worden uitgebreid, omdat deze begrippen inmiddels onderdeel zijn geworden van een geaccepteerd politiek discours.

Hoe ruw ook, aan duidelijkheid laten deze gegevens niets te wensen over: in de Nederlandse pers komt het begrippencomplex ‘joods-christelijk’ tegenwoordig ongeveer twintig keer zo vaak voor als pakweg vijftien jaar geleden. Bovendien wordt het in een totaal andere context ingezet: de termen zijn verhuisd van het historische en ethisch-religieuze domein naar dat van de politiek en de cultuur.

Een aantal sleutelmomenten markeert deze ontwikkeling, te beginnen met het interview dat Frits Bolkestein begin maart 1994 gaf aan NRC Handelsblad. Het liberalisme, aldus de toenmalige VVD-leider, stond met lege handen tegenover de aanwezigheid van minderheden en de mogelijke toetreding van Turkije tot de EU. Er was behoefte aan een erkenning van gemeenschappelijke culturele waarden en daarom zou het goed zijn wanneer de VVD de ooit geschrapte verwijzing naar het christendom weer in haar programma zou opnemen. In de felle discussies die op deze uitlatingen volgden, werden deze ‘basiswaarden’ geleidelijk uitgebreid tot joods, christelijk en humanistisch, een opvatting waarin ook het CDA zich herkende.

Er waren meer signalen, zoals het boekje 50 jaar Israël, hoe lang nog? van Pim Fortuyn, bij zijn verschijnen in 1998 echter door weinigen opgemerkt. Vrijwel ongemerkt kreeg het denken over de ‘joods-christelijke traditie’ een nieuwe dynamiek, al duurde het tot de aanslag op het WTC – een gebeurtenis waarvan de impact op Nederland in veel politieke analyses nog altijd schromelijk onderschat wordt – dat het vastere vormen zou aannemen. Een boek als The clash of civilizations van Samuel Huntington, waarvan de eerste versie dateert van begin jaren negentig, maar dat pas na 2001 doorbrak, leverde daaraan een belangrijke impuls, net als het streven van een aantal katholieke landen, gesteund door Johannes Paulus II, om in de Europese Grondwet een verwijzing naar de joods-christelijke traditie op te nemen.

Het spreken over de joods-christelijke traditie als basis van de westerse beschaving heeft sinds de millenniumwisseling niet alleen een hoge vlucht genomen, maar ook iets volstrekt vanzelfsprekends gekregen – een geslaagd voorbeeld van wat de Britse historicus Eric Hobsbawm ooit aanduidde als invention of tradition. Het zijn inmiddels vertrouwde ideeën, door uiteenlopende politieke bewegingen gekoesterd, net als in de VS, door zowel christen-democraten als conservatieven, maar evengoed door populisten als Wilders, al hebben zij dit gedachtegoed radicaal gepolitiseerd, zowel in de context van de binnenlandse als de buitenlandse verhoudingen. Maar zelfs dan blijven deze opvattingen vreemd aan het rechts-extremisme van Le Pen en Haider.

De vanzelfsprekendheid waarmee het idee van een op de joods-christelijke traditie steunende westerse samenleving wordt gedebiteerd, doet ons allicht vergeten dat het hier, in politieke zin, om een perversiteit gaat. Dat slaat uiteraard niet op verwijzingen naar de ‘joods-christelijke traditie’ in een theologische of filosofische betekenis, of om het gebruik door historici die willen aangeven welke belangrijke bijdragen de joden hebben geleverd aan de Europese beschaving. Hier gaat het om de exploitatie van het begrip als politiek-culturele categorie – het beroep op de joods-christelijke traditie als basis van de Europese identiteit, met als inzet – of onvermijdelijke uitkomst – dat ‘vreemdelingen’ worden uitgesloten.

Een blik op de politieke en sociale geschiedenis van Europa leert ons dat de joods-christelijke traditie een idee-fixe is. Sterker nog: waar het christendom verscheen, waren joden hun leven niet zeker. Christelijk Europa was de joden vrijwel overal buitengewoon vijandig gezind. In sommige landen werden de joden verjaagd en vervolgd, in anderen leefden ze in afzondering, tot ver in de 20ste eeuw beschouwd als Fremdkörper. In streken waar de joden wél enige vrijheid genoten, of, na 1789, burgerrechten verwierven, was dat vrijwel zonder uitzondering ondanks en niet dankzij de christelijke instituties die zich nu op hun liefde voor het jodendom beroepen.

Dat de mythe van een joods-christelijke traditie wordt ingezet tegen immigranten uit Noord-Afrika en het verlangen van Turkije zich aan te sluiten bij de EU, mag in dat licht een gotspe heten. Dat de autochtone islamitische bevolking, die dit continent al meer dan een millennium herbergt, en passant uit het Europese verleden wordt geschreven, onderstreept hoezeer dit betoog zich baseert op een groteske verdraaiing van de geschiedenis. De samenleving van joden en christenen was er één van sociale en politieke uitsluiting – en de joods-christelijke traditie: dat is er een van bloed en as.