Zeeuwse verloedering

Met de hakken over de sloot heeft de rechtbank Middelburg geoordeeld dat de grootste coffeeshop van Nederland, Checkpoint in Terneuzen, strafbaar is. Strafbaar vooral omdat dit strikt bovengronds opererende bedrijf ook de aanvoer van hasj en hennep ondergronds organiseerde. En daarmee regelgeving overtrad die beperkte verkoop voor eigen gebruik toestaat, maar aanvoer en voorraad verbiedt. Ook richtte de coffeeshop zich enthousiast op drugstoeristen en schond zo de gedoogvergunning.

Het vonnis komt neer op een schuldigverklaring zonder straf: de vrijheidsstraffen zijn niet langer dan het voorarrest. De eigenaar moet 9,7 miljoen euro financieel voordeel afstaan, maar hij mag ook 4,9 miljoen euro houden.

Een weinig overtuigde veroordeling dus, die een eind maakt aan de bestuurlijke polderillusie rond coffeeshops.

Ook de overheid stond gisteren te kijk. De burgemeester, officier van justitie en korpschef van Terneuzen maakten volgens de rechter geen deel uit van de ‘criminele organisatie’ die de Zeeuwse hasjhandelaren werd verweten. Maar veel heeft het niet gescheeld. De plaatselijke overheid heeft de groei van de coffeeshop mogelijk gemaakt en ook bevorderd, zegt de rechter. Er was jarenlang een verontrustend patroon van toestaan, wegkijken, aanmoedigen, profiteren en helpen door de overheid. Zelfs met het overtreden van de eigen vergunningsvoorwaarden.

Hoe kan openbareordebeleid, dat bedoeld is om de overlast te bedwingen, omslaan in een soort industriepolitiek die Terneuzen tot softdrugshoofdstad van Noordwest-Europa maakte? Zoals vroeger de garnalen thuis werden gepeld, was het rollen van joints en bewerken van hennep in Terneuzen een geaccepteerd ambacht geworden. Hoe moet de maandelijkse 1.000 euro die de gemeente jaren kreeg ‘voor drugspreventieprojecten’ worden begrepen? Als smeergeld? De rechter vond de kwalificaties heling en witwassen „niet geheel onbegrijpelijk”. Had het OM nog wel het recht om te vervolgen, gezien de voorkennis en betrokkenheid van justitie, politie en plaatselijk bestuur? Ook de rechter verbaasde zich, maar liet zich nog net overtuigen. Of dat oordeel in hoger beroep standhoudt is de vraag. Op vertrouwen dat wordt gewekt door het gedrag van de overheid moet een burger immers kunnen afgaan. Het is een hoeksteen van behoorlijk bestuur.

De overheid leek gebrand op de continuïteit van de drugswinkel. Alleen de omvang vond ze een probleem. Vervolgens werd verzuimd om dat bestuurlijk op te lossen. Ergens is er in het denken bij het OM een ‘omslagpunt’ geweest. Maar de rechter heeft niet kunnen ontdekken wanneer dat was.

Zelden is het vertrouwensbeginsel zo ver ingeperkt om een veroordeling toch mogelijk te maken. Het is tevens de meest beschadigende passage uit het vonnis, dat een spiegelpaleis van leugen en zelfbedrog beschrijft dat de overheid in stand hield. Een provinciale enquête is het minste om herhaling van deze bestuurlijke verloedering te voorkomen.