Wij hebben leeftijd, geen ouderdom

Altijd had Guus Middag bij de grote bloemlezingen van Gerrit Komrij het gevoel dat hij diens keuze, diens smaak kon volgen. Waarom lukt dat veel minder bij Komrij’s net verschenen bloemlezing met poëzie van nu?

Gerrit Komrij: De 21ste eeuw in 185 gedichten. De Bezige Bij, 224 blz. € 16,90.

In een van haar gedichten fantaseert Ruth Lasters (geb. 1979) over haar plan om iedere burger tot de behoeder van een woord te maken. De woordenboeken worden dan vervangen door lijsten waarop geen uitleg, maar adressen komen te staan. Bij ‘kastanje’ staat dan Ruisstraat 20, Temse. Ga je daar kijken, dan zul je daar kastanjes op de vensterbank zien liggen. Handig. En wil je weten wat ‘radeloosheid’ is, dan word je verwezen naar Parklaan 14. Als je daar gaat kijken zie je een mevrouw achter het raam zitten, ‘krijsend, ogen rooddoorlopen’. Dan snap je meteen wat radeloosheid is. En dan zou je ook, desgewenst, even kunnen aanbellen.

In een ander gedicht stelt zij zich voor wat er zou gebeuren als dozen niet meer gevouwen zouden worden – als je het ‘oervouwplan van alle dozen’ zou roven, en als je tegelijk ‘de vaardigheid uit de vingers van de dozenvouwers’ zou weghalen. Opnieuw een rare, maar ook wel verfrissende gedachte. Dan ontstaat er een doosloze wereld met alleen maar ‘plat karton waar niets in kan’. En hoe zou het zijn om het begrip ‘tulp’ te wissen uit alle woordenboeken, websites en geheugens? En wat zou je dan kunnen doen met alle stiltes en aarzelingen op die momenten wanneer iemand naar het gewiste woord zoekt?

Ik moet de afgelopen jaren wel eens gedichten van Ruth Lasters hebben gelezen, maar ik had daar geen duidelijk beeld aan overgehouden. Nu, in de vijf gedichten die Gerrit Komrij in zijn bloemlezing uit de nieuwste Nederlandse poëzie van haar opnam, zag ik het wel: het gedachte-experiment als het gereedschap om de wereld, ervaren als ondoordringbaar, open te breken. Lasters is nu voor mij een dichteres met een eigen gezicht geworden, en ook een dichteres om te gaan volgen. Dat is de verdienste van bloemlezer Komrij.

Ik moet er wel meteen bij zeggen dat dit niet voor alle dichters geldt. Er zijn er meer van wie het nog kleine oeuvre teruggebracht is tot vijf gedichten, maar die zeggen mij niet veel. Andere dichters zijn maar met een of twee gedichten opgenomen; die zijn soms erg veelbelovend, en dan zou je er wel meer willen lezen. Er zijn zeven dichters van wie Komrij het maximum van zeven gedichten heeft opgenomen: Lernert Engelberts, Ester Naomi Perquin, Marije Langelaar, Erik Solvanger, Jan-Willem Anker, Krijn Peter Hesselink en Maarten Inghels. Het zijn zeven wel erg ongelijksoortige dichters, die ieder voor zich ook nog eens met heel wisselend werk zijn opgenomen.

Ivoren toren

In de grote bloemlezingen van Komrij had ik altijd het gevoel dat ik zijn keuze, en dus zijn smaak, goed kon volgen, maar nu is dat veel minder het geval. Het is mogelijk dat onze smaken zijn gaan verschillen, maar ik denk dat er iets anders aan de hand is. Ik krijg niet de indruk dat Komrij een scherpe en enthousiaste keuze uit de jongste poëzie heeft kunnen maken, en daarom maar besloten heeft tot een breed overzicht van wat er zo ongeveer voorhanden is. Daarop wijst het grote aantal dichters: 185 gedichten, 48 dichters. Daarop wijst ook zijn tamme woord vooraf, waaruit blijkt dat er onder al die jonge dichters weinig polemiek en dus ook weinig richtingenstrijd is. ‘Tegenstellingen vloeien in elkaar over en lossen op, ze lijken in elk geval onbelangrijk’, zegt hij. Dit is zijn enige overkoepelende waarneming: ‘Vast staat dat de poëzie de ivoren toren definitief heeft verlaten. Alle dichters hebben, of ze nu spreken of schrijven, een publiek voor ogen.’

Het klinkt weinig bevlogen. De bloemlezer vindt het best zo. De toekomst zal het allemaal wel leren. De leeftijdsgrens voor deze bloemlezing is nogal willekeurig vastgesteld op 34 jaar. Dat leidt ertoe dat allerlei nog niet zo heel oude dichters van dit moment (Komrij noemt er negen) niet meer mee mogen doen, maar wel een dichter als Lernert Engelberts (geb. 1977), die dertien jaar geleden zijn laatste bundel publiceerde. De bloemlezing opent met een gedicht van hem, waarin nog in telefoonboeken wordt gebladerd, en waarin nog iemand met een handgeschreven kaartje naar de brievenbus loopt. Dat is wel erg 20ste-eeuws.

Ik kan hier dus weinig systeem en ook weinig eigen smaak in ontdekken. Er komt van alles voorbij. Cabaret, sprookjes, seks, verwondering en verlangen. Simpele jeugdherinneringen: ‘ik stond met mijn tandenborstel op de gang en wist van niets’. Grote wijshedenpoëzie: ‘de wereld is mooi en verschrikkelijk / alleen de clichés blijven hetzelfde’ (Maarten Das). Onbegrijpelijke gekkewoordenpoëzie: ‘Waar water uit mijn borst / groeit liggen nonnen in mijn nek / begraven schoon als kanker cluster knobbel’ (Joep Kuiper). Klankpoëzie: ‘doem dadoem / doemdoem dadoem’ (Anneke Claus). Nog meer klankpoëzie: ‘Hoe moe opoe / pompt de norton’ (Maurice Buehler). Surrealistische associatiepoëzie: ‘een drieling zonder hoofd / fluit marsen op een distel’ (Neeltje van Beveren). Kosmische grotegevoelenspoëzie: ‘hij heeft mij laten drinken van een goddelijke kracht / elke avond weer / steeds heftiger / steeds langer’ (Marije Langelaar). En naïeve dichtertjesvragen: ‘Waar zijn de gezichten gebleven / die niemand heeft onthouden / van middeleeuwse mensen / die niet op schilderijen staan?’ (Jaap Robben).

Neontempels

Een echt generatiegedicht is er ook. Het heet ‘Dolle honden jonge goden’. Het is van Robin Block (geb. 1980). Het vertelt hoe wij ‘gierden langs de grachtenpanden’ en hoe wij ‘lalden onze psalmen in de neontempels / dansend’, hoe wij ‘engelenpoeder snoven’ en ons geheim sponnen ‘tussen de sterren en een smeulende kerk’. Jonge goden janken als honden in de nacht: ‘er klonk een wiegelied over de blauwe daken / er riep een weeskind om zijn vader / er scheen een maan om naar te huilen’. Het klinkt al bijna als een parodie op het traditionele jongehondengeneratiegedicht. En het lijkt me ook wel weer veelzeggend dat er van deze Robin Block geen ander gedicht is opgenomen.

Als er heel in het algemeen iets opvalt aan deze generatie 20- tot 34-jarige dichters, dan is het de voorkeur voor het zoekende, uit losse mededelingen en gekke dwarrelgedachten bestaande, springerige, nog niet erg vormgegeven, prozaïsche stapelpraatvers. Dat komt bij haast alle dichters en dichteressen voor, maar vreemd genoeg dan weer niet in al hun gedichten. De dichters weten het nog niet goed, zo lijkt het. Of ze willen het nog niet weten. Daar is niks mis mee, al denk ik niet dat je met deze aarzelpoëzie op den duur veel lezers trekt.

Geen Nieuwe Generatie dus. Wel her en der nog schatplicht aan oudere dichters. Ik zag de trekken van een nieuwe Kopland, de Kopland uit de jaren zestig: Reine De Pelseneer. En van een nieuwe Driek van Wissen: Quirien van Haelen. En van een nieuwe Vijftiger: Joep Kuiper. En van een nieuwe Fritzi Harmsen van Beek: Delphine Lecompte. En van een nieuwe studentikoze studentendichter: Michiel van Rooij. ‘Het wil alleen nog niet zo lukken / met de meisjes en de studie.’

Maar gelukkig zijn er ook nog de gedichten van Nieuwe Eenlingen die alleen aan zichzelf doen denken, met een eigen taal of een eigen blik. Zoals de vreemde verzen van Lasters. Het strakke idioom van Sieger M.G. De geestige onbevangenheid van Danny Degenaar. De goeie grappen van Andy Fierens. De zeven serieuze gedichten van Ester Naomi Perquin. De verwondering van Jaap Robben. De korte afgemeten verzen van David Troch, die nog even een fijne generatieregel aflevert: ‘wij hebben leeftijd, maar geen ouderdom.’ Het komt uit een gedicht dat misschien wel als een generatiegedicht te lezen is – voor een generatie dichters die nog wel even kan wachten, maar weet dat er straks knopen moeten worden doorgehakt:

You didn't feel it coming

wij hebben leeftijd, maar geen ouderdom.

het deken uit de picknickmand spreiden wij

achteloos in het gras. wij ontkurken wijn,

snijden het brood met vaste hand, voelen ons

vrij en blazen bloemblaadjes weg die rondom

ons dwarrelen, dreigen in een glas te vallen.

ons leven lijkt nog op een tekenfilmtafereel:

sprinkhanenconcert, bordkartonnen setting.

wij kunnen wachten tot de avond komt.