Uitgesproken schijnheiligheid

De rooms-katholieke kerk heeft liederen van Huub Oosterhuis verboden voor kerkdiensten. Volgens censor Cor Mennen zijn ze liturgisch „onder de maat”. Het besluit is onderdeel van de persoonlijke strijd van Mennen tegen Oosterhuis.

Er gaan dagen voorbij waarop we er niet aan denken: de rooms-katholieke zangpraktijk. Je gaat er vanuit dat de Moederkerk zoiets na tweeduizend jaar wel eens geregeld zal hebben. Niets is minder waar. Er blijkt sprake van strijdende partijen, er is een front. En van dat front is nieuws. Men heeft de liederen van Huub Oosterhuis uit de canon gegooid, zo meldden de kranten.

Een evergreen als ‘De steppe zal bloeien’ zal in de rooms-katholieke kerk niet meer galmen, het Oosterhuislied dat nog in 2006 door de goegemeente werd uitverkoren als de mooiste verklanking van vaderlandse godvrucht. De hymne ‘Licht dat aanstoot in de morgen’ werd nog gezongen op de begrafenis van Prins Claus, maar past niet langer in de katholieke liturgie. Evenzo afgelopen is het met ‘Zomaar een dak boven wat hoofden’, ‘Komen ooit voeten gevleugeld’ of ‘Uit vuur en ijzer, zuur en zout’. Opgeteld negenentwintig Oosterhuis-liederen zijn uit de rk-zangbundels geschrapt. Waarom nu? En hoe? Wie zich in die vragen verdiept krijgt fraai zicht op de folkloristische rijkdom van het Roomse leven.

Hoofdrolspeler in dit kleine kunstdrama uit de toneelkist der Moederkerk is de jezuïet Hubertus Gerardus Josephus Henricus Oosterhuis, geboren te Amsterdam (1933), priester, theoloog, dichter. Een ingeblazen man. Vanaf 1965 schreef hij liturgische gezangen, getoonzet door bevlogen musicus en componist Bernard Huijbers, medebroeder in de Societas Jesu. Het werden er een paar honderd – de kerkgangers vonden ze prettig en eenvoudig. Ze werden zo populair dat ook de protestanten een aantal opnamen in hun Liedboek voor de Kerken (1973). Nog in 2002 zou de protestantse Vrije Universiteit in Amsterdam Oosterhuis een eredoctoraat verlenen voor ‘zijn grote bijdrage aan de oecumenische liedcultuur en liturgievernieuwing’.

Als je de Oosterhuis-Huijbersliederen zou schrappen raken officieel goedgekeurde katholieke zangboeken als Zingt Jubilate (1976) of Gezangen voor Liturgie (1984) bijna leeg. Dat betekent dat zeer veel Oosterhuiswerk zowel van de censor een nihil obstat (geen bezwaar) had gekregen als van de bisschop imprimatur (drukken maar!). Opmerkelijk.

In 1969 was Oosterhuis na conflicten over het celibaat door zijn jezuïetengeneraal uit de orde gezet; om dezelfde reden schorste het bisdom Haarlem hem als priester. Oosterhuis ging zover in het huwelijk te treden, maar besloot buiten verantwoordelijkheid van de bisschop zijn priesterpraktijk doodgemoedereerd voort te zetten en hield dit langjarig vol. Dat de bisschop destijds niet onmiddellijk alle hymnen van deze dwarsligger uit de liturgische jubel verbande is tekenend voor de verwarring waarin de Moederkerk verkeerde onder het liberalere bewind van Paus Johannes XXIII, in de almaar verder democratiserende jaren zeventig waarin de kerken leegliepen. Kennelijk had men het gevoel zich een liturgie zonder Oosterhuis niet te kunnen veroorloven.

Want het kerkvolk liep weg met Oosterhuis. Als de term ‘volk’ valt denk je niet meteen aan hoogst literaire poëzie. Dichtcriticus Gerrit Komrij had in diens Papieren tijgers (1978) dan ook al grote bedenkingen bij de zo zingbare pennevruchten van wat hij noemde ‘de copywriter van de Firma Christus & Co.’, ‘de half-linkse paap’, ‘de pastoor in spijkerpak’: ‘Alleen naar de schijn is het moderne poëzie, de schijn moet de mensen pákken en voor ze er erg in hebben zitten ze met dezelfde stoffige en stinkende Vaticaanse praatjes voor de vaak opgezadeld.’ Een typische jezuïeten-truc dus.

In zijn vroege bundels was hij volgens Komrij nog een zéér middelmatig dichter die het van zowat iedereen afgekeken had, nog het meest van de slechtsten.

Oosterhuis was middelmatig gebleven, vond Komrij. Hij demonstreerde dat aan de hand van potsierlijke beeldspraken als ‘de moederschoot van mijn verlangen’, ‘het zwaard als een zwaard in de schede’, ‘ik kluif op het been van de taal’, ik heb zwijgmoed en woordkramp geleden’, ‘de overzijde van de taal’, ‘de bal van mijn lendenen waar het woord kiemt’, ‘ik ben maar alleen met mijn vogeltje’, ‘de koperen fluit van de morgen’. De Oosterhuis-poëzie bestond volgens Komrij slechts uit het herhalen van voorgekauwde loopjes, modern gepresenteerd.

Dat gaat dus over de gedichten van Huub Oosterhuis. Maar hoe zit het met de teksten die zich zo gretig en graag laten zingen? Bijvoorbeeld de nummer één uit de reli-toptien van 2006, ‘De steppe zal bloeien’? De lieddichter opent met de verwachting uit de titel, daar lijkt me niks mee mis. Een steppe die eenmaal bevloeid in bloei uitbarst, we kennen hem uit vele natuurfilms. In regel twee openbaart zich echter een rotsprobleem: ‘De rotsen […] staan vol water, maar dit – de rotsen gaan open.’ Zulke stenen vaten heb ik in geen natuurfilm ooit aan het werk gezien.

In strofe twee keren ballingen ‘met blinkende schoven’ terug. Hoe krijgt men zoiets door zijn klankgorgel? Het zijn immers de sikkels die klinken en blinken, voor het graan is er geen andere taak dan ruisend te vallen en te worden opgebonden in schoven, die slechts in zeer zeldzame lichtsituaties een uiterst matte glans vertonen.

‘De steppe zal bloeien’ zucht verder onder moeizame herhalingen. In strofe twee ‘die gingen’, tweemaal ‘die keren’ en (de ergste) ‘die zaaiden in tranen’. Deze tophit heeft nog het meeste weg van een stukkie proza waar Doctor Honoris Causa Oosterhuis de samenhang uit heeft weggesneden, omwille van het poëtasteraal effect .

Een andere lied werd ‘Wonen overal’ gedoopt. Let op het w-medeklinkerrijm: ‘Wonen overal even thuis/ handel en wandel en huis na huis/ loven en bieden op waarheid en waan/ wagen en winnen en verder gaan/ mensen veel geluk’. Veel zanggeluk, mensen!

Het beeld in de titel van de hymne ‘Licht dat ons aanstoot in de morgen’… Au! Dat wordt een blauwe plek.

Het ‘oud en vergeten nieuw geheim’ in het lied ‘Zomaar een dak boven wat hoofden’. Wat voor geheim? Lezen we ten slotte de tweede strofe uit Oosterhuis’ door voor- en kerkgangers gekscherend chemicaliënlied genoemde ‘Uit vuur en ijzer’:

Om water voor de zee te zijn,

om anderman een woord te zijn,

om niemand weet hoe groot en klein

gezocht, gekend, verloren

Pijbruine woordenvloed. Je hoort het bij wijze van spreken uit een wijdopen ondermond knetteren, hoogst vloeibaar, structuurloos, geen hard stukje in te bekennen.

Maar het kerkvolk wilde zijn Oosterhuis en het duurde lang voor de bisschoppen dergelijke rotte appels uit de zangmand durfden te verwijderen. De clerus is echter taai en geleidelijk aan wist men het tij te keren. Een eerste stap was Liturgiam Authenticam (2001), de vijfde Vaticaanse instructie over de liturgie sinds het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965). Elke kerkprovincie kreeg opdracht een lijst samen te stellen van liederen waartegen geen enkel bezwaar (nihil obstat) bestond. Een zware missie, er wordt nog steeds aan gewerkt. Maar in de eerste honderd ontbreekt lvast de naam Huub Oosterhuis.

Los van deze lijst achtte men het zaak de wekelijkse misboekjes aan te pakken: De zondag vieren van de Werkgroep voor Liturgie Heeswijk en Bron van christelijke geest van Uitgeverij Gooi & Sticht. Deze twee periodieken voorzien de hele katholieke markt van zangstof. Elke week een nieuwe aflevering, van de gepresenteerde liedkeuze wordt zelden afgeweken. Tot voor enkele jaren genoot de redactie relatief grote vrijheid, sinds 2008 is vanwege het bisdom censorcontrole op ‘theologische en dogmatische zuiverheid’. In het bisdom Utrecht werd hulpbisschop Herman Woorts tot het censorschap geroepen. Bisdom Den Bosch overhandigde het rode potlood aan de pastoor van de parochie Onze Lieve Vrouw Onbevlekt Ontvangen te Oss, Cor Mennen.

Censor Mennen (1945) is tevens docent Kerkelijk Recht aan het seminarie van het bisdom ’s Hertogenbosch, bisschoppelijk liturgie-gedelegeerde in de Nationale Raad voor Liturgie, lid van het Bossche kathedraalkapittel en lid van het bestuur van de Vereniging voor Latijnse Liturgie. We mogen rustig zeggen: niet de eerste de beste. Een waardig tegenstander van Huub Oosterhuis, en de tweede hoofdrolspeler in het folkloristisch kunstdrama dat ik noemde.

Waar de Vaticaaninstructie Liturgiam Authenticam in 2001 de Oosterhuisliederen op het hakblok legde, deed de authentieke Cor Mennen het finale beulswerk. Negenentwintig Oosterhuisjes uit de RK-zangbundels geschrapt.

Uiteraard reageerde Huub Oosterhuis als een wesp gestoken. ‘Terug naar de jaren vijftig,’ riep hij. We moeten hem tegenspreken. Hollywood laat liefdesparen weer het bed delen in pyjama, in de natte respectievelijke warme ruimtes in de vaderlandse sportclubs wast men zich weer met de kleren aan – we leven in een tijd van restauratie. Cor Mennen is beslist een man van onze tijd. De digitale media zijn de censor van Den Bosch evenmin vreemd. Hij heeft een website (http:// www.mennenpr.nl/), hij houdt onder de titel ‘Vrijmoedig Commentaar’ een blog bij. Pittig werk, al moet men om het woord ‘pittig’ goed te begrijpen nu en dan kijken naar het pasfotootje van het censorhoofd: we zien er blijmoedigheid op, authentieke zorg, heeromige herderlijkheid die elk moment kan omslaan in tucht waar het Oude Testament bij verbleekt. Op het oog een aardige man, maar vergeet niet het zwaard dat hij achter zijn rug verbergt. Een onvergetelijk paaps portret.

Cor Mennen smeet Oosterhuis uit de canon en daar zijn goede argumenten voor. De censor geeft er zelf een aantal. Hij zegt: „Het Tweede Vaticaanse Concilie heeft in haar Constitutie over de Liturgie Sacrosanctum Concilium uitdrukkelijk verboden dat iemand, zelfs al is hij priester, iets toevoegt of weglaat van de liturgische teksten en riten.” Door Oosterhuisliederen toe te laten is daar dus lelijk de hand mee gelicht. „Men maakt vieringen met fantasieteksten die men weer van elkaar overschrijft.” We zagen al tot welke liederen Oosterhuis’ fantasie heeft geleid.

Mennen: „Daarmee doet men afbreuk aan de liturgie die in veel gevallen verwordt van eredienst tot mensendienst. Niet meer God en zijn grote daden aan de mensen staan centraal maar de mens in zijn droefheid of blijdschap.” De mensen moeten de kerk uit, de kerk heeft aan God genoeg. Aldus de waarlijk blijde, heerlijke boodschap van Cor Mennen. Het lijkt hard maar eerlijk, rechttoe rechtaan.

Dat laatste is natuurlijk in tegenspraak met de zalvende retoriek van de doorgewinterde prelaat. Gelukkig heeft Cor Mennen zich ook aldus uitgelaten: „Het is mij niet om Oosterhuis begonnen, het gaat mij om de liederen.” Zo kennen we onze pappenheimers weer, want dit is een uitgesproken schijnheiligheid.

Mennens motieven zijn namelijk wel degelijk van persoonlijke aard. Samen met zijn liederen moet ook Oosterhuis zelf de kerk uit, die opvatting klinkt door in vele uitspraken die blogger Mennen doet. „Hij is een prominent vertegenwoordiger van een grote groep uit de clergé die in de jaren zestig het volk misleid en de Kerk afgebroken heeft.” „Of Oosterhuis zich nog als katholiek beschouwt, weet ik niet. Hij gedraagt zich in ieder geval niet als katholiek, hij uit zich ook niet als katholiek. […] Het is opmerkelijk dat hij van de kant van de bisschoppen buiten zijn suspensie nooit een veroordeling heeft gekregen.” „Oosterhuis trouwde met Jozefien Melief en had niet eens het fatsoen de kerkelijke consequenties uit die stap te aanvaarden.”

Huub Oosterhuis is een exponent van ‘het militante heidendom dat steeds verder oprukt’, zo vat Censor Mennen het op zijn blog samen. „Zo verzette D66 zich nog in het guldentijdperk bij een afbeelding van een stadsgezicht op een nieuw bankbiljet tegen kruisen op de torens. Ik noem verder de georkestreerde actie tegen het pausbezoek in 1985, het Berufsverbot van de beoogde katholieke eurocommissaris Buttiglione door een heidense meerderheid in het Europarlement, in de zogenaamde Europese grondwet mag geen verwijzing staan naar de christelijke wortels van Europa.”

Al dat kwaad moet worden uitgeroeid, te beginnen bij Huub Oosterhuis. De papenstal moet schoongeveegd, Augiaswerk. Hulde aan Cor Mennen! We verzetten ons immers liever tegen een spijkerharde Moederkerk dan tegen een halfzachte, vage oecumeneclub van halve uittreders.

Maar eerlijk moeten we blijven, en derhalve ook dank aan Huub Oosterhuis. Zonder hem hadden we het prachtige kleine kunstdrama rond zijn muzikaal getoonzet liturgisch zangsucces gemist, en daarmee de chemie tussen twee mannen van de clerus. Dat zou doodzonde zijn geweest.