Trots op Nederland (maar dan in de ouderwetse betekenis)

Europa hield rekening met Joseph Luns als minister van Buitenlandse Zaken.

Een politiek dier met duidelijke ideeën en met soms een vertroebelde blik.

Geliefd en gehaat. Joseph Luns (1911- 2002) was een politicus op wie beide typeringen van toepassing zijn. En iemand om wie je niet heen kon. Niet alleen vanwege zijn rijzige gestalte, maar ook om zijn indrukwekkende carrière. Luns diende 19 jaar als minister van Buitenlandse Zaken en was van 1971 tot 1984 secretaris-generaal van de NAVO. In beide gevallen betreft het records. Over deze boeiende politicus heeft Albert Kersten een eerste, veelomvattende biografie geschreven. Daartoe raadpleegde hij tal van binnen- en buitenlandse archieven. Aanvullend interviewde hij voormalige politieke kopstukken zoals Henry Kissinger. Maar bovenal had Kersten exclusief toegang tot Luns’ privéarchief.

Kersten typeert Luns als een on-Nederlandse politicus; een nationalist en een internationaal politiek dier. Kort gezegd: Trots op Nederland, maar dan in de ouderwetse betekenis. Het wereldbeeld van Luns stond volgens zijn biograaf al vroeg vast en bleef in de loop van diens leven opmerkelijk slagvast. In zijn studentenjaren ontpopte Luns zich als een conservatieve patriot. Hij was voorstander van sterk gezag en een sterke marine. In 1933 werd hij lid van de NSB, in een periode dat dit een nationalistische groepering was zoals er wel meer waren. Het lidmaatschap zegde hij in 1936 weer op. Toen dit in 1979 publiekelijk bekend werd, zei hij ten overstaan van de media: ‘Dat heeft mijn broer gedaan’. Luns verklaarde dat broer Huib hem had aangemeld. Luns kwam ermee weg. Deze affaire typeert hem ten voeten uit: mystificerend inzake zijn verleden en gevat in de omgang met journalisten.

Als conservatieve nationalist stond Luns voor behoud van grondgebied en een kleine maar niet betekenisloze rol in de internationale politiek. Het nationale belang, schreef hij in 1952, was de grondslag van de buitenlandse politiek. Nederland diende zelfbewust op te treden in de internationale arena. Luns hanteerde een andere diplomatieke stijl dan de toen gangbare die gebaseerd was op moralistische en idealistische uitgangspunten. Hij pleitte voor Realpolitik afgestemd op de internationale machtsverhoudingen. Daarnaast hield hij er zijn hele leven rabiaat anti-communistische opvattingen op na. Hij was ervan overtuigd dat het Westen een strijd op leven en dood voerde met de communistische wereld.

Terecht staat Kersten uitvoerig stil bij belangrijke thema’s als de kwestie Nieuw-Guinea en de beginjaren van de Europese eenwording. Aanvankelijk wilde Luns het laatste Nederlandse grondgebied in ‘de Oost’ niet overdragen aan Indonesië. De Indonesische leiders beschouwde hij als een stel ‘gangsters’ en Soekarno gedroeg zich ten opzichte van de Nederlanders zoals Hitler tegenover de Joden. Het conflict sleepte zich lang voort en pas in 1961, onder druk van de VS, ging Luns overstag. Deze grootste nederlaag uit zijn ministerschap was een traumatische ervaring. Het bracht ook, aldus Kersten, een ‘merkwaardig falen’ in diens denken aan de oppervlakte. Waarom zag Luns niet in dat Washington Nieuw-Guinea aan Indonesië wilde offeren om het communisme in Zuid-Oost Azië te beteugelen? Klaarblijkelijk vertroebelde zijn nationalisme zijn doorgaans heldere kijk op internationale verhoudingen.

Inzake koloniale kwesties en de afwikkeling daarvan kon Luns binnen Europa uitstekend opschieten met Frankrijk. Daarentegen botste hij over de richting en invulling van een ander belangrijk dossier, de Europese samenwerking, herhaaldelijk en frontaal met Charles de Gaulle. Luns bleek een vasthoudend en bekwaam onderhandelaar. Meegaand en oplossingsgericht maar ook, als de situatie daar om vroeg, bijzonder emotioneel en onredelijk. In elk geval hielden Europese leiders rekening met Luns. Zijn ministerschap leverde hem in het buitenland veel aanzien op. En de functie van secretaris-generaal bij de NAVO nog meer. Volgens Kersten slaagde Luns er in de voor het bondgenootschap woelige jaren zeventig in de interne communicatie te verbeteren en doeltreffend te bemiddelen tussen Washington en Europa.

Luns was ronduit opgelucht Den Haag voor Brussel te kunnen verruilen. Want vanaf de jaren zestig stond de vanzelfsprekendheid van zijn opvattingen in Nederland steeds vaker ter discussie. Kersten schetst het beeld van een minister die moeite heeft in te spelen op de maatschappelijke veranderingen. Nieuw Links streefde volgens Luns naar ‘totalitaire beginselen’ en de extraverte jeugdcultuur leidde tot vervagend normbesef. Toch nam hij de moeite om met zijn zoon een concert van de Rolling Stones bij te wonen.

Wellicht was Luns minder star en een complexere politieke persoon dan algemeen verondersteld, maar dat zou moeten worden uitgezocht. Kersten thematiseert in elk geval te weinig systematisch de persoonlijkheid Luns in relatie tot diens (politieke) denkbeelden. Slechts incidenteel duikt de biograaf in de persoon achter de politicus. En dan doemt een ander beeld van Joseph Luns op: iemand die twijfelt over zijn optreden en die snel terneergeslagen is bij hevige kritiek. Iemand ook die de druk van zijn werk niet aankon, regelmatig ten prooi viel aan flauwtes en depressies. Iemand die herhaaldelijk op het punt stond uit de politiek te stappen. Achter de paljas schuilde een onzeker persoon. Maar deze kanttekeningen doen niets af aan het feit dat Kersten een mooie tour d’horizon biedt van de politicus Luns. Het is dan onbegrijpelijk dat dit boek zo slecht is geredigeerd – waarbij de vele fouten na 100 pagina’s echt storend worden bij het lezen.

Albert Kersten: Luns. Een politieke biografie. Boom, 704 blz. € 39,50