Tijd voor een sociaal leven

Volgens Loes Linders slaagt de turnbond erin de sport steeds weer te verpesten.

Het ontslag van Speerstra was voor haar de druppel.

Loes Linders heeft geen verleden met trainer Gerard Speerstra, maar toen ze hoorde van zijn ontslag was haar besluit definitief: ze stopte met turnen. Na een worsteling van een jaar gaf de turnbond (KNGU) haar het beslissende duwtje. „Die maatregel tegen Gerard herinnerde mij eraan dat de bond er steeds weer in slaagt de sport te verpesten.”

Eigenlijk had Linders haar slechte herinneringen verdrongen. Al kenmerkten conflicten haar loopbaan, ze kon maar geen afscheid nemen van de sport die haar zo dierbaar is. Ze dubde en dubde, maar kwam er niet uit. Op een goed moment dacht ze: ik ga gewoon weer turnen. Tot het nieuws van Speerstra haar bereikte. Toen besefte Linders dat de cultuur van naijver nog steeds niet verdwenen is.

Slechte herinneringen kwamen weer boven. Bijvoorbeeld aan de Olympische Spelen in Athene (2004), waarvoor Linders zich leek te hebben geplaatst, maar uiteindelijk rücksichtslos door sportkoepel NOC*NSF terzijde werd geschoven. Zelfs een rechtszaak bracht haar niet naar Athene. En ze dacht terug aan de WK in Arhus (2006), die ze na een conflict met de leiding voortijdig verliet. Of aan de WK in Stuttgart (2007), die ze volgens haar ten onrechte als reserve moest meemaken en haar kansloos maakte voor deelname aan de Spelen in Peking (2008).

Verder borrelde de zaak rond trainster Esther Heijnen weer op. Met andere turnsters van de Nijmeegse club De Hazenkamp, onder wie Fieke Willems, verweet zij Heijnen, die ook als bondscoach optrad, turnsters zowel fysiek als mentaal te onderdrukken. Linders: „Die zaak heeft al met al drie jaar geduurd, terwijl het besluit over het ontslag van Speerstra binnen twee weken werd genomen. Dat deed me pijn. Iemand die hart voor de sport heeft en met zijn kritiek over de onprofessionele houding van de bond ook nog eens gelijk heeft, wordt in no time terzijde geschoven.”

Linders ziet daarin een bevestiging dat de turnbond er niet in eerste instantie voor de turners is. Foeterend: „Ik begrijp dat er in een grote organisatie conflicten ontstaan, maar bij de KNGU zijn de sporters meestal de dupe. Ik heb nooit het gevoel gekregen, dat de bond er voor ons was. Als je kritiek had, werd daar niets mee gedaan, maar werd je er wel op afgerekend. Neem mijn zaak rond de Spelen in Athene. Ze hadden moeten zeggen: sorry Loes, er zit een zwak punt in de regels en we laten je wel of niet gaan. Maar niet een nieuw kwalificatietraject beginnen. Ik zeg niet dat ik naar de Spelen had moeten gaan, maar ik was op dat moment wel de tweede turnster van Nederland. Ik heb toen ingezien dat er andere belangen een rol speelden. Zoals die van trainer Frank Louter, van wie turnster Laura van Leeuwen zich uiteindelijk voor ‘Athene’ plaatste.”

Het Nederlandse turnklimaat beu vertrok Linders naar België, waar ze nog twee jaar in Gent turnde. Ze overwoog zelfs de Belgische nationaliteit aan te nemen. Uiteindelijk ging dat niet door, omdat haar trainers, René Poutsma en Gerrit Beltman, door de Belgische bond werden ontslagen. Linders keerde terug naar Nederland, waar ze onderdak vond bij haar oude club De Hazenkamp. Daar traint ze nog steeds, bijna dagelijks. „Omdat ik de sport nog niet kan loslaten. Ik vind het leuk om te doen. Dat ik met turnen ben gestopt, betekent niet dat ik afscheid van de sport heb genomen.”

Linders heeft haar aandacht verlegd naar het snowboarden, de sport waarin haar broer Casper tot de Nederlandse subtop behoort. En in de zomermaanden naar het wakeboarden. Ze werd al tweede bij de NK snowboarden op de (borstel)baan, een prestatie waar volgens Linders niet veel waarde aan gehecht moet worden, „omdat er maar zes meiden meededen”. Wat niet wegneemt dat ze aanleg heeft en zich best op die sport wil toeleggen. „Maar dan moet er een sponsor komen die bereid is mij in een team op te nemen, anders is het niet te bekostigen. Zo niet, dan blijf ik voor de lol snowboarden.”

Die lol mag je van Linders letterlijk nemen, want onder snowboarders vindt ze de gezelligheid die ze bij het turnen zo heeft gemist. Oprecht verbaasd: „Iedereen doet normaal tegen elkaar. De sport is één gezellige, sociale gebeurtenis. Het maakt niet uit of je wint of verliest. Men vindt het al prachtig als je een vette trick doet.”

Van die losse cultuur was in het turnen geen sprake. Daar ging Linders ooit gebukt onder psychische problemen en eetstoornissen. Er was een periode dat ze niet meer at dan dagelijks wat fruit, rijstwafels, een stukje vlees en wat aardappelen met groente. „Dat kwam door de sfeer in de turnhal”, zegt Linders. „Als je meemaakt dat turnsters voortdurend te horen krijgen dat ze te dik zijn of naar huis worden gestuurd als ze na een vakantie te zwaar terugkeerden, dan denk je: dat gebeurt mij niet. Dan zorg je er wel voor dat je mager blijft. Nee, ik had geen anorexia. Althans, dat vond ik zelf niet.”

Die jaren in de turnhal en de conflicten met de bond hebben haar gevormd, weet Linders. „Ik ben er voorzichtiger door geworden. Ik heb nog sterk het gevoel dat ik niet alles kan zeggen, omdat het tegen me gebruikt kan worden. De positieve kant is dat ik zelfstandig ben geworden.”

Nu ze meer afstand van het turnen heeft genomen, ziet Linders in welke kleine wereld ze geleefd heeft. „Als turnster is een jaar lang elke week gepland. Je zag dagelijks dezelfde mensen met wie je dezelfde gespreksstof had. Eigenlijk sta je buiten de maatschappij. Ik moet nog steeds mijn weg zien te vinden. Het kost me moeite om contacten te leggen. Omdat ik niet weet hoe dat moet. Ik heb niet de kracht om een ander aan te spreken. Via de snowboardgroep van mijn broer begint het een beetje te komen; zo leer ik langzaam ook met vreemden om te gaan.”