Senatoren verschaften 'gekke' keizers een inktzware reputatie

Olivier Hekster: Romeinse keizers. De macht van het imago. Bert Bakker, 239 blz. € 18,95

In 2003 vond een amateur-archeoloog in de omgeving van Oxford een bronzen munt met op de voorzijde keizer Domitianus en op de achterzijde de woorden concordia militum (‘eendracht van de soldaten’). Het betreft hier niet de bekende Domitianus die aan het einde van de eerste eeuw het Romeinse rijk vijftien jaar bestuurde, maar de gelijknamige usurpator die in 271 door de soldaten op het schild werd geheven – en al snel het veld moest ruimen. Hoewel zijn machtsbasis te beperkt was om een rol van betekenis te kunnen spelen, gedroeg hij zich als zijn voorgangers uit het roemrijke verleden van Rome, en probeerde hij eveneens met een muntslag zijn imago op te vijzelen. Het heeft niet mogen baten, want binnen enkele maanden was hij van het toneel verdwenen.

Macht, zelfrepresentatie en imago zijn de sleutelwoorden in het boek Romeinse keizers van Olivier Hekster. De auteur geeft geen overzicht van de geschiedenis van de Romeinse heersers, zijn aandacht gaat uit naar de beeldvorming die rondom hen ontstond. Hekster probeert te achterhalen wat sommigen tot toonbeelden van goed keizerschap maakte en waarom anderen de geschiedenis zijn ingegaan als notoir slechte leiders.

Dat levert een boeiend betoog op over een aantal opvallende figuren die zich door hun optreden in goede of slechte zin hebben onderscheiden. Allemaal waren zij voor hun heerschappij afhankelijk van de steun van soldaten, de instemming van de senatoren, de sympathie van de lokale elites in de provinciesteden en de toejuichingen van het stadsvolk van Rome.

Maar als die groepen hun eigen agenda hadden, en dat was in de roerige tijden van bijvoorbeeld de derde eeuw zeker het geval, moesten ze laveren tussen conflicterende belangen. Hekster beschrijft dat machtsspel met veel inlevingsvermogen. En hij schroomt niet daarbij de berichten van de verschillende antieke geschiedschrijvers kritisch onder het vergrootglas te leggen en verklaringen te zoeken voor het feit dat de ene keizer een positieve en de andere een negatieve beoordeling kreeg.

De succesvolste keizers waren degenen die aan het verwachtingspatroon van zoveel mogelijk groeperingen wisten te voldoen. Augustus, die in 27 v. Chr. definitief een einde had gemaakt aan de republiek, had de kaders aangegeven. Hij stelde zich in zijn zelfrepresentatie flexibel op en reageerde steeds constructief op beeldvorming. Claudius, Vespasianus en Trajanus spiegelden zich aan die eerste keizer, hoewel zij in veel opzichten anders te werk gingen. Hun viel dezelfde vergoddelijking ten deel. Trajanus kon zelfs uitgroeien tot het prototype van de ideale keizer (optimus princeps).

Maar een keizer die de verschillende groepen in de samenleving tegen elkaar uitspeelde of zich op één groepering richtte, kreeg het zwaar. Caligula (37-41), Nero (54-68), Commodus (180-192) en Heliogabalus (218- 222), keizers die door literaire bronnen als ‘gek’ werden betiteld, leveren daarvoor het bewijs. Zij presenteerden een specifiek en eenduidig beeld van zichzelf. Het gangbare oordeel over hen, dat ze hun negatieve pers uitsluitend te wijten hadden aan hun excentrieke gedrag, voortkomend uit krankzinnigheid, karakterzwakte of andere geestelijke onvolkomenheden, is aan Hekster niet besteed. Hij nuanceert het, en beziet hun gedrag in het licht van hun vijandschap jegens de oppositie van de senatoren, die het niet kon verkroppen dat de machthebbers een keizerschap nastreefden dat niet paste binnen de traditionele aristocratie, maar veel weg had van het machtsstreven van de heersers van de hellenistische rijken in het oosten. De senatoren voelden zich beledigd dat de laatste restjes van de republikeinse façade werden afgebroken, en ze hebben er met literaire karaktermoorden voor gezorgd dat de reputaties van de betreffende keizers inktzwart werden.

De analyses van Hekster zijn overtuigend. Een enkele keer bekroop mij het gevoel dat de schrijver uit wantrouwen tegenover de (soms sterk bevooroordeelde) literaire bronnen aan keizerlijke propaganda een te rationele grondslag toekent. Maar misschien is het ook wel goed de keizers met gefundeerde scepsis ten aanzien van de geboden informatie aan een nieuw onderzoek te onderwerpen. Want laten we wel wezen, de berichtgeving van een auteur als Suetonius (69/70-140), die de levens van de eerste twaalf heersers vanaf Julius Caesar heeft beschreven, is verre van objectief. Zijn aandacht voor het pikante detail, de suggestieve anekdote en de ‘vette roddel’ is zo groot dat hij soms de realiteit uit het oog verliest en de euvele daden van als slecht bekend staande keizers tot monsterlijke proporties opblaast. Het is goed dat lezers ook daarvan op de hoogte zijn.