Schilderen met software

Met behulp van de computer maakt Eelco Brand beelden van de natuur die natuurwetten tarten. Hij werkt met de muis, maar voelt zich een schilder. „Alleen al door de manieren waarop je kunt schuiven met lichtbronnen, weerkaatsingen en schaduwen.”

De hond staat onder een lantaarnpaal aan een asfaltweg door een bos met hoge boomstammen waartussen diepe duisternis heerst. Er is geen verkeer op de weg, maar de hond blijft zijn kop naar rechts en dan weer naar links draaien, alsof hij almaar niet durft over te steken. In het felle schijnsel vlak onder de lantaarn fladderen minuscule vliegjes rond.

In dit met behulp van 3D-modeling (zie kader rechts) geconstrueerde animatiefilmpje H.movi uit 2005 van Eelco Brand (40) komen allerlei elementen samen die typerend zijn voor zijn werk. Boomstammen, lantaarnpaal, hond en wegdek zijn nauwkeurig weergegeven, evenals de schaduwen van de bomen op de bosgrond. Toch zie je meteen dat dit een schijnwerkelijkheid is, aan de veel te hoge lantaarnpaal, de al te kale stammen. En net zoals in zijn andere werk bevat H.movi geen verhaallijn, geen pointe, maar wel een eindeloze herhaling, in dit geval van het bewegende hondenhoofd en de rondfladderende vliegjes. Zolang de stekker in het stopcontact zit, zien we een perpetuum mobile. De computeranimatie is het enige medium dat een loop kan maken zonder las – het laatste beeldje kan naadloos worden aangesloten op het eerste – en daar maakt Brand bij zijn animaties dankbaar gebruik van.

Eelco Brand: „H.movi is een remake van een oud schilderijtje uit begin jaren negentig, toen ik nog op de Rietveld Academie zat. In die tijd was ik heel precies aan het schilderen, met kleine kwastjes. Hier heb ik zo’n schilderij letterlijk teruggeconstrueerd tot een 3D-beeld en in beweging gezet.”

Hij wijst op de rondcirkelende vliegjes: „Als je van dichtbij kijkt zie je dat elk vliegje uit twee vierkantjes bestaat. Er is een computermechanisme waarmee je die vierkantjes geanimeerd kan laten flapperen. Tegelijk worden ze aangetrokken tot het lichtpunt van de lamp, maar weer weggestoten als ze een bepaalde grens bereiken en te dichtbij komen. Dat is een technische simulatie van de levende natuur.”

In zijn ‘bewegende schilderijen’ zweven niet alleen vliegjes rond, of paardebloempluisjes om een plant. Eelco Brand zet, als het hem zo uitkomt, een complete inboedel in beweging. In K.movi (1999) liet hij stoelen, tafels, schemerlampen en tapijten gewichtloos rondtollen door een huiskamer. Hij legt uit dat gewichtloosheid een essentieel onderdeel is van het computerprogramma waarmee hij werkt: „Je kunt de illusie geven van zwaartekracht, maar alle objecten kunnen ook door elkaar heen steken en bewegen, want er is geen massa, het is onstoffelijk. Dat vind ik een mooi gegeven: de digitale constructie is immaterieel, gemaakt van dezelfde stof als dromen.”

Tijdens ons gesprek wijkt Brand geen moment van de twee beeldschermen waarop hij demonstreert hoe hij te werk gaat. In zijn atelier, in een voormalige kauwgumballenfabriek in Breda, is geen verf of kwast meer te bekennen. Het is alweer zeven jaar geleden dat hij zijn laatste schilderij maakte, maar toch voelt hij zich ‘nog altijd min of meer een schilder’: „Het verschil is niet zo groot. Vanaf het eerste moment dat ik met 3D-software in aanraking kwam, dacht ik: dit is voor een schilder het ideale gereedschap. Alleen al de manieren waarop je kunt schuiven met lichtbronnen, weerkaatsingen en schaduwen. Maar er is meer verwantschap met de schilderkunst. Ook nu ben ik bezig met het scheppen van een ruimtelijke illusie binnen een bepaald kader. En net als bij een schilderij wordt ook het 3D-beeld laag voor laag opgebouwd. Een schilder heeft fysiek contact met het materiaal, dat is bij dit onstoffelijke spul weleens een gemis, hoewel verf een smerig goedje is. Ik bestuur alles op afstand met de muis, en soms met de tekenpen op het tablet, maar wat ik doe is gekoppeld aan mijn geest, ik kan rechtstreeks uit mijn verbeelding werken, de 3D-technologie is daar helemaal op toegesneden.”

Het maken van bewegende en stilstaande beelden loopt bij Eelco Brand door elkaar en op zijn expositie Matérialisations virtuelles in de Amsterdamse galerie Torch zijn naast computeranimaties ook digitale prints te zien. Allemaal verwijzen ze naar de wereld van de voorwerpen, en vooral: naar de natuur. Op Balance (2008) toont hij een torenhoge, fragiele stapeling van borden, wijnglazen en bestek. „Dit valt om”, denk je als kijker. Maar meteen besef je: „Dit is onmogelijk, zo’n bizarre stapel.” En inderdaad, dit kan alleen virtueel. Net als de weelderig beboste groene heuveltoppen die hoog boven de wolken uitstijgen op de print Fog (2010), waar de boomgrens is opgeheven.

Op Snow (2009) is een grasveld te zien waarop een sneeuwdek in verdacht mooie, slagroomachtige patronen wegsmelt. „Sneeuw als plastisch materiaal is verrukkelijk om in 3D mee te werken”, vindt Brand. Maar ook hierbij streeft hij niet naar ‘biologische correctheid’. Op de vraag waarom hij in zijn werk steeds terugkeert naar de natuur en ons zijn wonderlijke versies toont van planten, wolken, nevels en mossen, of ons meevoert in een donker sparrenbos, zegt hij aarzelend: „We leven in een periode van onttovering van de wereld, door wetenschap en rationaliteit. Er is een tijd geweest dat een oude boom in de perceptie van de mens iets anders was dan de hout- of zuurstofproductie waar die nu voor dient. In ons dagelijks bestaan raken we steeds verder verwijderd van het geheimzinnige in de natuur, misschien dat ik me er daarom graag mee bezighoud.”

Hij haalt Nabokov aan, die schreef over het dunne laagje groene make-up dat over de wereld is uitgesmeerd : „Wanneer je daarnaar kijkt, naar die groene oppervlakte, zou je willen dat je er dwars doorheen kunt zien, naar binnen, rechtstreeks die donkerte in van het onbegrijpelijke.”

Als er iets is waar Brand zich verre van houdt in zijn werk, dan is het wel de wereld van de menselijke activiteiten: „Daar word ik dagelijks al door omringd.” Ook de actualiteit is geen inspiratiebron, zijn kunst is allesbehalve maatschappelijk geëngageerd. Als die term valt, haalt hij zijn schouders op en mompelt: „Ik wil me niet koppelen aan de actualiteit, dat is vaak zo tijdelijk, dat zijn de kleine golfjes op het wateroppervlak.”

Bijna dagelijks zit Eelco Brand achter de beeldschermen in zijn atelier. Dit is ‘de cocon’ waarin hij functioneert. „Maar ook bij mijn afwezigheid wordt er hard gewerkt in het atelier: een renderfarm van zo’n zes computers die een animatie beeldje voor beeldje uitrekent, is daar lang mee bezig.”

Nee, zelf hield hij nooit erg van rekenen of wiskunde. Maar hij was wel goed in tekenen, zegt hij, dat deed hij vanaf zijn vroegste jeugd: „Op de lagere school zat ik altijd oorlogstekeningen te maken, heel gewelddadig, waarschijnlijk doordat mijn vader zo bezig was met de Tweede Wereldoorlog, het bombardement op Rotterdam. Maar veel kinderen hebben die morbide, gewelddadige inslag.”

Toen hij een jaar of vijftien was begon hij te schilderen en het was ‘vanzelfsprekend’ dat hij naar de kunstacademie zou gaan. Het werd de Koninklijke Academie in Den Haag: „Ik dacht: dit is een traditionele opleiding, hier gaan ze me nog beter leren schilderen. Maar het was een foute keuze. Ik stapte over naar de Audiovisuele Afdeling van de Rietveld. Daar zaten verschillende disciplines bij elkaar en dat bleek veel interessanter. Je kon ook schilderen binnen die afdeling, het was een soort speeltuin.”

Hij vertelt hoe hij zich op de academie afzette tegen het schilderen als een soort emotionele expressie, waarbij het gaat om het gebaar en de persoonlijke toets: „Dat was mijn houding niet. Voor mij telde vooral de observerende kant, ik had een filmische benadering: ik zag het schilderen puur als een techniek om tot een afbeelding te komen. In de vorige eeuw is het medium schilderen op alle manieren onderzocht en om daar nog een bijdrage aan te leveren, wond me niet op. Er is een schilderij waarin ik geprobeerd heb het plantje gras op vergrootglasniveau te benaderen, tot op de nerfjes nauwkeurig weer te geven. Voor de expressieve schildertoets moest je dus bij mij niet zijn. Ik zag mezelf meer als een biologische printer.”

Hij legde zich toe op het schilderen naar collages van foto’s die hij eerst op de computer had gemanipuleerd. Die glad geschilderde doeken hadden inderdaad al iets van de prints die hij nu exposeert: de voorstellingen balanceren vaak op het randje van het geloofwaardige, maar het wordt nooit surrealistisch. Een bos blijft duidelijk een bos, al lijkt het bij nadere beschouwing toch meer op een decor met rijen bomen als coulissen.

Brand: „Toen ik de 3D-modeling had ontdekt, schafte ik de fotografie af en ontwierp ik alles wat ik wilde schilderen in 3D. De software was toen, eind jaren negentig, nog te beperkt om er goede prints van te maken. Die prints voldeden niet aan de verschijningsvorm die mij voor ogen stond, het waren kille, levenloze beelden. Dus was ik als schilder die printmachine en probeerde ik al schilderend van die levenloosheid af te komen. Maar dat naschilderen had toch iets overbodigs, want het beeld bestond eigenlijk al, dus het bleef wringen. Daarom begon ik zo’n tien jaar geleden uit mijn verbeelding te schilderen, ik dacht: nu ga ik als een echte schilder met vorm en kleur aan de slag.”

Hij wijst me op het enige doek dat hij nog in zijn atelier heeft. Er is een gestileerde groene sparreboom op geschilderd waarvan de vage contouren opgaan in een rode achtergrond. „Er kwam dit soort dingen uit. Ik liet steeds meer details weg, maar als je dat doet begeef je je op een minimalistische weg waarop niet veel meer te beleven valt. Eigenlijk was ik het schilderen toen aan het wegschilderen.

„Intussen bleef ik bezig met die 3D-constructies. Ik heb altijd juist veel plezier gehad in verfijnde voorstellingen, het schilderen van blaadjes en takjes met kleine penseeltjes, maar de computer is veel beter in staat tot verfijning, detaillering en vermenigvuldiging van blaadjes, dennennaalden of grassprietjes. En op het moment dat het me lukte de 3D-constructies in beweging te zetten, had ik het gevoel dat ik ze als autonoom werk, als animaties, de wereld in kon sturen.”

Toen de software zo verbeterd was dat ook de prints van stilstaande beelden in zijn ogen ‘konden wedijveren met de kwaliteiten van een schilderij’, gaf hij het schilderen uiteindelijk helemaal op. Op het eerste gezicht lijken die prints soms op gemanipuleerde foto’s, maar Brand huivert als die term valt, want er komt geen fotografie aan te pas, elk beeld is door hem op de computer vormgegeven. „Printen is de enige methode om zo’n digitaal beeld stoffelijk te maken. Het moet tenslotte wel getoond worden.”

Eelco Brand maakt zijn animaties in een oplage van drie dvd’s, van zijn prints verschijnen zes exemplaren. Ja, zegt hij, hij verkoopt ze goed, ook in het buitenland: „Kort nadat ik van de academie kwam, in 1995, kwam Adriaan van der Have van galerie Torch hier op mijn atelier. Tot zijn dood, vorig jaar, heeft hij mijn zakelijke belangen behartigd. Hij toonde mijn werk op internationale beurzen, bracht me met verzamelaars in contact en ik heb het ook aan hem te danken dat ik exposeer bij galeries in Duitsland, Spanje, Italië en Korea.”

Op de expositie bij Torch toont Brand in zijn animaties en prints een nieuw element: het decor van nooit helemaal realistische struiken, bomen of bosranden is hetzelfde gebleven, maar daarbinnen staan, hangen of bewegen nu abstracte sculpturale vormen. Heel even lijken het beelden in een parkje, maar die associatie is bedrieglijk. In het tweeluikje B.movi (2010) stuitert een glanzende, knalrode druppelvorm op een papperig zachte bodem, en zakt daar op het belendende schermpje in weg, in een eindeloze herhaling. Op de print Floating Object (2010) weerkaatst een klont witte reuzenmoleculen in een waterplas. Brand: „Ik toonde al veel ‘natuurlijke sculpturen’ van hout, mos, sneeuw of boomwortels. Deze artificiële objecten gaven me de mogelijkheid om fellere kleuren te introduceren en ze contrasteren zo met de omgeving dat je daar misschien oplettender naar kijkt.”

Hij vertelt dat de nieuwe ontwikkelingen in de 3D-software razendsnel gaan: „Ik houd het goed bij, er komen voortdurend geavanceerdere methodes om met deze software de meest fantastische dingen te doen. Maar ik besef dat niets zo snel veroudert als de nieuwste snufjes, dus ik kijk wel of zulk nieuw gereedschap ook bruikbaar is.”

Hij toont op het scherm een nieuwe techniek, de ‘global illumination’ waarbij het licht verstrooid wordt en alle objecten dat licht onderling op elkaar uitstralen: „Dat is een niet te negeren verfijning die overeenkomt met hoe het licht zich in de werkelijkheid gedraagt.”

3D-modeling is bij games, commercials of films al jaren niets nieuws meer, maar onder beeldend kunstenaars is deze techniek nog geen gemeengoed. Brand verbaast zich daarover: „Het gereedschap is helemaal ontworpen ten dienste van de verbeelding, om de visualisering daarvan mogelijk te maken. Ik denk dat er binnenkort een explosie komt van een nieuwe generatie kunstenaars die hier al vertrouwd mee is door de computergames. Verschillende kunstopleidingen hebben nu animatieafdelingen en ik verwacht dat veel schilders de 3D-techniek zullen omarmen.”

Hij voelt zichzelf nu nog een pionier op dit gebied: „Het geeft me een comfortabel gevoel dat ik me op onbetreden paden begeef en vrijelijk kan experimenteren. Ik ben nog lang niet klaar, ik sta nog maar aan het begin, onder het motto: we gaan traag, maar we gaan ver.”

Eelco Brand: ‘Matérialisations virtuelles’, t/m 24 april, Torch Gallery, Lauriergracht 94, Amsterdam. Do t/m za 14-18 u. www.torchgallery.com