Ongezonde burgers

Het is een paradoxaal signaal: Nederlanders worden steeds ouder, maar ze moeten wel gezonder gaan leven. Het is de boodschap die doorklinkt in de rapporten van twee overheidsinstanties, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), die gisteren werden gepresenteerd.

De levensverwachting is voor vrouwen en mannen tussen 2003 en 2008 met meer dan twee jaar gestegen tot respectievelijk 82,3 en 78,3 jaar. Maar de overheidsprogramma’s om ongezond levensgedrag (roken, alcoholgebruik, vet eten, te weinig bewegen) onder de bevolking terug te dringen, halen hun doelstellingen bij lange na niet.

Met de groei van de levensverwachting is Nederland overigens niet teruggekeerd in de kopgroep van Europa waar het vroeger vertoefde. Wel denkt het RIVM dat de levensverwachting tot 2050 zelfs met nog een jaar of zes zal toenemen.

Dit goede nieuws is een geluid dat ook op andere terreinen dan de volksgezondheid zal worden aangehoord. En niet alleen maar juichend. Hoe ouder de Nederlanders worden, hoe hoger de uitgaven voor pensioenen en andere voorzieningen zijn. Het Centraal Planbureau wees vorige week in zijn Economische Verkenning al op de grotere kosten die de gestegen levensverwachting voor de overheid met zich meebrengt.

De cijfers en conclusies die het RIVM en de IGZ gisteren publiceerden, zijn bij nadere beschouwing echter toch niet zo paradoxaal. Want al mag de gemiddelde leeftijd bij overlijden dan over de hele linie hoger zijn geworden, laagopgeleide Nederlanders leven gemiddeld zes tot zeven jaar korter dan hogeropgeleiden. Het RIVM vindt dat verschil „onrustbarend groot”. Bovendien is het ondanks het gevoerde beleid „de afgelopen jaren zeker niet afgenomen”. Daar komt bij dat lageropgeleiden tegen het einde van hun leven gemiddeld veertien jaar langer met ziekten en kwalen kampen dan hogeropgeleiden.

Hier is de link met de bevinding van de IGZ te leggen, omdat vooral lageropgeleiden er een ongezonde leefstijl op nahouden. Gemeentelijke preventieprogramma’s hebben daar te weinig effect op gehad, voor zover ze al zijn uitgevoerd.

Dat leidt tot de vraag wat de rol van gemeenten en Rijk moet zijn bij de beïnvloeding van slechte leefgewoonten. Dus klinkt in de rapportages weer de roep door om wettelijke maatregelen als hogere accijns op tabak en alcohol en het beperken van de verkrijgbaarheid van ongezonde consumptiegoederen, met name voor jongeren. Voor dat laatste is natuurlijk wel wat te zeggen, met inachtneming overigens van de primaire verantwoordelijkheid van ouders en andere opvoeders. Nochtans: bijvoorbeeld een kritische blik naar het assortiment in schoolkantines is op zijn plaats.

Maar er zijn grenzen aan overheidsbemoeienis met het individuele leefgedrag. Paternalisme ligt op de loer. Juist uit het feit dat lageropgeleiden korter en ongezonder leven, valt te concluderen dat het op dit punt schort in de opleidingen. Nog betere voorlichting en educatie moeten primair staan.