Niks handjeklap over die bierprijzen

‘Brussel’ legde drie bierbrouwers 274 miljoen euro boete op voor prijsafspraken.

Maar Heineken, Grolsch en Bavaria zeggen: overleg over prijzen is nog geen kartel.

Welles-nietes. Zo is de harde confrontatie tussen de Europese Commissie en drie Nederlandse bierbrouwers over vermeende prijsafspraken kort samen te vatten.

Aanleiding zijn de boetes die eurocommissaris Neelie Kroes (Mededinging) drie jaar geleden oplegde aan Heineken (219,3 miljoen euro), Grolsch (31,7 miljoen) en Bavaria (22,8 miljoen). Ze zouden tussen februari 1996 en november 1999 verboden afspraken hebben gemaakt over bierprijzen.

Onzin, zeggen de brouwers: niks handjeklap, maar „normaal brancheoverleg”. Ze vechten de straf aan bij het Europees Gerecht, onderdeel van het Hof van Justitie van de Europese Unie in Luxemburg. Daar kregen Grolsch, Bavaria en Heineken de afgelopen dagen de laatste kans hun onschuld te bepleiten.

De drie brouwers hebben geen goed woord over voor de wijze waarop ze zijn aangepakt. Ze vinden het bewijs „ondeugdelijk”. En ze verwijten Kroes goedkope stemmingmakerij. Zij beweerde destijds: „De consument heeft te veel betaald voor zijn biertje.”

De zaak is een uitvloeisel van het Belgische bierkartel van halverwege de jaren 90, rond het toenmalige Interbrew en Alken-Maes. Dat kon worden ontmanteld dankzij de „constructieve medewerking” van Interbrew, sinds 2004 InBev. Alken-Maes kreeg 42 miljoen euro boete, Interbrew 46,5 miljoen.

Het vruchtbare contact met Interbrew leverde de kartelspeurders ook waardevolle informatie op over Nederland. Zó waardevol, dat de Belgische brouwer géén boete kreeg voor haar betrokkenheid bij de gewraakte afspraken voor de Nederlandse biermarkt, waarop zij na Heineken de grootste speler is. Kroes zei daarover: „InBev gaf ons doorslaggevende informatie. Laat deze kwijtschelding een aanmoediging zijn voor bedrijven die nu nog in een illegaal kartel zitten.”

Het bierkwartet van Bavaria, Grolsch, Heineken en Interbrew, samen goed voor meer dan 90 procent van de Nederlandse markt, pleegde een „zeer zware inbreuk” op de mededingingsregels, zei Marco Slotboom namens de Europese Commissie. „Het staat buiten kijf dat de vier brouwers, tezamen en bilateraal, jarenlang systematisch informeel overlegd hebben over prijzen, prijsverhogingen, beperking van kortingen en verdeling van afnemers.” De „coördinatie” betrof volgens hem zowel de horeca als de thuismarkt, inclusief bier van huismerken.

Toenmalige topmanagers Peter Swinkels van Bavaria, Jaak Troch van Grolsch en Erik-Johan Korthals Altes van Heineken waren volgens de Europese Commissie nauw betrokken bij het geheime beraad, dat ze wel ‘Catherijne-overleg’ noemden. Behalve op het klikken van Interbrew werd de straf gebaseerd op inspecties, verklaringen en in beslag genomen documenten.

De brouwers erkennen dat ze „in algemene zin over de consumentenprijzen” hebben gesproken. Maar dat heeft „nooit geleid tot een overeenkomst of onderling afgestemd feitelijk gedrag”, zei Mark Biesheuvel namens Grolsch. „De Commissie heeft de feiten gekneed naar de constructie van een geheim kartel dat er niet was.”

Biesheuvel wees op de „delicate positie van kroongetuige Interbrew”. Hij kwalificeerde het Belgische klikwerk als „onbetrouwbaar en inconsistent”. „Het betreft verklaringen die zijn afgelegd voor eigen gewin, niet voor de waarheidsvinding.”

Ook Bavaria kritiseerde de kwaliteit van het Brusselse onderzoek. „De Europese Commissie heeft een kartelbril opgezet en nooit meer afgezet. Wat Bavaria ook tegen de beschuldigingen inbracht, het haalde allemaal niets uit”, verklaarde Onno Brouwer namens Bavaria.

Wil er van een kartel sprake zijn, dan moeten volgens Brouwer „afstemming, bepaald marktgedrag en een causaal verband tussenbeide” onomstotelijk vaststaan. Dat had de Commissie niet bewezen. „Het overleg heeft niet geleid tot vermindering van de mate van onzekerheid in de markt.”

De brouwers hekelden verder de lange looptijd. Het onderzoek was vier maanden na het onderzoek naar het Belgische bierkartel begonnen maar de Nederlandse boetes werden zes jaar later opgelegd dan die in België. De Commissie erkende al eerder dat de zaak „onredelijk lang” heeft geduurd en paste daarom een korting van 100.000 euro toe op elk van de drie boetes. Belachelijk weinig, vinden de brouwers. „Is het zó goedkoop om de redelijke termijn te schenden”, schamperde Brouwer.

Mocht het Gerecht het kartel bewezen achten, dan vinden de brouwers dat de boetes aanzienlijk lager moeten, omdat de Europese Commissie de richtlijnen verkeerd zou hebben toegepast, onder andere door bij de berekening uit te gaan van hun omzet inclusief accijnzen. Ook vinden de brouwers het oneerlijk dat Brussel een tarief heeft gehanteerd dat tijdens het onderzoek fors is verhoogd. Als het tempo van de Belgische zaak was aangehouden, waren de boetes veel lager geweest.

Het Europees Gerecht doet naar verwachting medio dit jaar uitspraak.