Mopje

Het is jaren geleden dat ik het mopje voor het eerst hoorde. Het leek toen relatief onschuldig en best wel grappig. Het gaat zo: Een vrouw loopt een kerk binnen en wil biechten. De pastoor is er niet, maar de biecht wordt waargenomen door de kapelaan. „Vertel me uw zonden, zuster.” De vrouw vertelt dat ze zich schuldig heeft gemaakt aan fellatio. De kapelaan weet niet uit zijn hoofd wat voor penitentie hij daarvoor moet geven. Maar er zijn twee misdienaartjes bezig rond het altaar om de kaarsen te vervangen. Vanuit zijn biechtstoel roept hij naar hen: „Wat geeft de pastoor gewoonlijk voor pijpen?” „Meestal een Snickers. Maar soms ook een Mars.”

Wat het mopje aantoont is dat seksueel misbruik van kinderen door priesters van de katholieke kerk in elk geval in de volksmond al jaren gemeengoed is. In die zin kijkt niemand echt op van de vloedgolf van gevallen die de laatste weken in verschillende landen in de openbaarheid zijn gebracht en die het mopje van zijn onschuld beroven en een stuk minder grappig maken. Wat wel opzien baart zijn de reacties van de vertegenwoordigers van de katholieke kerk.

De Nederlandse kardinaal Simonis kwam deze week bij Pauw & Witteman met een verbijsterend dubbelzinnige boodschap. „Wir haben es nicht gewusst,” zei hij, in het Duits, waarmee hij impliciet de vergelijking trok tussen katholieke internaten en concentratiekampen uit de Tweede Wereldoorlog.

Hij had geen weet van het misbruik. Hij had, zo zei hij, in de 38 jaar dat hij bisschop en aartsbisschop was „tien gevallen” gekend. Dus hij wist het wel. Of wil hij beweren dat tien gevallen niet tellen? Hij heeft van geen van die tien gevallen ooit aangifte gedaan. „Het was een andere tijd,” zei hij. Precies. Het was de tijd die tot op de dag van vandaag voortduurt waarin seksueel misbruik door de katholieke kerk structureel in de doofpot is gestopt. Dat is precies het probleem.

De Duitse minister van Justitie heeft aangekondigd dat hij een onderzoek instelt. Een logische stap. Het gaat om strafbare feiten. Het is een schande dat de Nederlandse overheid dat voorbeeld niet volgt.

Ilja Leonard Pfeijffer