Moddergooien rond bankroet Van der Moolen

De zoektocht naar de oorzaken van het faillissement van Van der Moolen is begonnen. Voormalige directeur en commissarissen staan lijnrecht tegenover elkaar.

Waarom ging Van der Moolen failliet? En vooral: door wiens toedoen?

Dat zijn de hamvragen voor de enquête naar de ondergang van de beursgenoteerde effectenhandelaar, waarvoor het verzoek gisteren diende bij de Ondernemingskamer. Over een ding zijn betrokken partijen – voormalige aandeelhouders, commissarissen, directievoorzitter en de curatoren – het eens: een gedegen onderzoek naar het beleid bij Van der Moolen voor het faillissement in september vorig jaar is dringend gewenst.

De verzoekers van de enquête, beleggersvereniging VEB en verzekeraar ASR Nederland als voormalig grootaandeelhouder, houden alle opties open, maar lijken zich vooral te richten op de in juli vorig jaar vertrokken bestuursvoorzitter Richard den Drijver. Onder zijn leiding was er in de laatste jaren sprake van een „structureel falend beleid”, een hoog verloop van bestuurders en managers, het aan de laars lappen van goed ondernemingsbestuur en te optimistische – lees: misleidende – informatie richting beleggers. Zoals zo vaak bij dit soort deconfitures ontbrak het volgens hen bij Van der Moolen aan adequaat toezicht door de raad van commissarissen.

Den Drijver zelf, die gisteren niet bij de behandeling door het Amsterdamse gerechtshof aanwezig was, vindt dat Van der Moolen pas ten onder ging ná zijn gedwongen vertrek in juli 2009 – een maand voor het bedrijf uitstel van betaling aanvroeg. Hij vindt de twee commissarissen die nadien het dagelijks bestuur van het effectenhuis overnamen volledig verantwoordelijk voor het echec.

Aanvankelijk kon Den Drijver zich vinden in het enquêteverzoek, mits dat alleen betrekking had op de periode ná de komst van die twee commissarissen, voormalig Van Lanschot-bestuurder Peter Zwart en advocaat Arjen Paardekooper. Gisteren liet zijn advocaat Sydney Berendsen weten toch in te stemmen met een breed onderzoek naar het gevoerde beleid bij Van der Moolen sinds 2005. „Laat maar komen”, zei Berendsen.

2005 was het jaar dat alles anders werd. Het was het jaar waarin Van der Moolen voor 45 miljoen euro derivatenhuis Curvalue kocht, het bedrijf van de in Londen woonachtige Den Drijver. Met die overname werd Den Drijver niet alleen multimiljonair, maar ook grootaandeelhouder en uiteindelijk bestuursvoorzitter van Van der Moolen. Onder leiding van Den Drijver – die in het voorjaar van 2006 aantrad – begaf Van der Moolen zich op de weg richting afgrond, waarbij het bedrijf in de woorden van VEB-advocaat Jurjen Lemstra „doormodderde zonder heldere strategie en allerlei cashverslindende initiatieven”, waardoor het eigen vermogen en de liquiditeitspositie in toenemende mate onder druk kwamen te staan. In deze financieel kwetsbare periode hielp het niet dat Van der Moolen in de jaren 2005-2008 drie financieel directeuren versleet – die allen met een riante afvloeiingsregeling opstapten. Na het vertrek van de laatste financieel directeur, Michiel Wolfswinkel, in juli 2008, verzuimde Den Drijver een vervanger aan te trekken, waardoor hij tegen de eigen statuten in als enig bestuurder van het beursgenoteerde bedrijf over bleef. Vanaf 2007 was ook de raad van commissarissen van Van der Moolen structureel onderbezet.

In de ogen van de gedupeerde aandeelhouders is het curieus dat vanaf hetzelfde jaar de voormalige grote man van Van der Moolen , oud-bestuursvoorzitter Hans Kroon, op de achtergrond een steeds grotere rol bij het bedrijf ging spelen. Officieel als adviseur – tegen een vergoeding van 35.000 euro per maand, exclusief onkosten en bonus – maar in wezen was zijn rol „schimmig” geweest. Onduidelijk is waarom Van der Moolen in 2008 een lening van 6 miljoen euro verstrekte aan een multimediabedrijf, waarbij de familie Kroon nauw betrokken was.

Den Drijver beweert dat hij begin vorig jaar op een aantal manieren bezig was om het structurele liquiditeitstekort aan te zuiveren. Hij was in onderhandeling over een bankfinanciering, wilde voor 10 miljoen dollar een Amerikaanse dochter verkopen en beweerde nog ruim 32 miljoen euro van de Duitse fiscus terug te kunnen krijgen. Na zijn vertrek in juli 2009 hebben de twee commissarissen die het bestuur overnamen „op geen van deze punten actie genomen”, waarna surséance en faillissement onafwendbaar was. Jeroen Latour, advocaat van Zwart en Paardekooper, vindt dat Den Drijver veel te gemakkelijk de schuld „over de schutting gooit”  naar zijn cliënten. Hij vindt dat het eventuele onderzoek zich vooral moet richten op de tijd dat Den Drijver de dienst uitmaakte.