Makkelijk als garnaaltjes

En eten ze daar in Spanje volgens dat kookboek van die meneer Pizarro dan nooit eens iets zoets? hoor ik de mensen al vragen. Want zo zijn de mensen, altijd om zoetigheid bedelen. Je slooft je uit met de heerlijkste gerechten vol groenten en vissen, maar de mensen denken maar aan één ding: chocola.

Nu denk je bij Spanje niet speciaal aan chocola – ik niet althans. Eigenlijk denk je dan vooral aan tapas, de verrukkelijke kleine hapjes bij de drank die je helpen de avond door te komen tot je eindelijk mag gaan eten, want allemachtig, wat eten die Spanjaarden krankzinnig laat. Tijdens de wandeltocht die ik ooit maakte inde Alpujaras, de voetheuvels van de Sierra Nevada, was de bar (spreek uit: barrr) in elk dorpje een ware uitkomst. Het waren geen roemruchte tapaszaken natuurlijk, we waren niet in de stad, maar als je een glaasje fino sherry bestelde – en als je in Spanje bent wil je echt wat graag fino bestellen – kreeg je er altijd een schoteltje van iets bij. In hun geheel gebakken kleine garnaaltjes bijvoorbeeld, met pantsertje en al, die knapperig als borrelnootjes waren en een stuk interessanter van smaak (en dit zegt een ware nootjes liefhebber). In een boek met herinneringen aan de Europese volkskeuken (van Dirk Lambrechts, De smaak van heimwee heet het) las ik over een tapasbar waar ze stukjes zwezerik bakten, of eigenlijk even op de gloeiende grilplaat legden met veel olijfolie, peterselie en weinig knoflook en die dan met citroen en pimentón (het gerookte paprikapoeder) opgediend werden. Man, het water loopt je in de mond en Lambrechts zelf was er ook verstomd van geslagen zo heerlijk als dat was. Wij eten zwezerik meestal zo deftig (en dan is het ook heerlijk, dat vindt hij ook) maar het was goddelijk zo, schrijft hij, niet als chefs-verzinsel maar gewoon omdat je in een barrr niet gaat staan modderen met truffelroomsaus. Je krijg meteen zin om naar die tapaszaak af te reizen.

Maar nee, chocolachocola hoor ik al roepen. Goed dan. Pizarro (De authentieke Spaanse volkskeuken) geeft weinig tapas maar vrij veel zeer aantrekkelijk ogende nagerechten. Deze cakejes zijn zo makkelijk als gebakken garnaaltjes en heerlijk zacht en smelterig. De chocoladesaus maakt ze extra feestelijk, en die is evenmin arbeidsintensief.

Verwarm de oven op 200 graden. Vet cakevormpjes of muffinvormpjes in met een drupje olie. Smelt de chocolade met de boter in ene pannetje op heel laag vuur, roer geregeld. Laat de gladde saus afkoelen. Klop de eidooiers en de suiker op een eetlepel na schuimig, vermeng dat mengsel met de chocola. Sla de eiwitten stijf met die ene eetlepel suiker en spatel het eiwitschuim door de chocolademassa. Giet het mengsel in de vormpjes en bak ze een klein kwartier – de cakejes moeten van binnen nog zacht zijn.

Laat de cakejes tien minuten afkoelen in de vorm en stort ze dan op een rooster.

Smelt voor de saus de chocolade met de olijfolie en roer er vlak voor het opdienen het paprikapoeder door. Serveer de cakejes overgoten met de warme chocoladesaus en eventueel met wat fruit erbij (peren, rabarber).