Leven als een vliegreis zonder landing

Laia Fàbregas: Landen. Anthos, 216 blz. € 18,95.

De meeste merkwaardige boeken geven hun vreemde aard al vroeg prijs. Het meisje met de negen vingers, waarmee Laia Fàbregas twee jaar geleden debuteerde, was zo’n boek: de vingers vielen de hoofdpersoon van de handen en bovendien was zij met haar zus opgevoed door een ouderpaar dat meende hun meisjes een beter leven te geven door ze nooit een foto te tonen. Normaal werd de roman van de in Barcelona geboren Nederlandse schrijfster daarna niet meer – wel een boek dat intrigerende vragen over het belang en waarde van de verbeelding stelde.

Haar tweede roman begint Fàbregas (1973) conventioneler: een vrouw raakt in het vliegtuig in gesprek met een oudere man, die haar onderweg de hoofdzaken van zijn leven vertelt: geboren in een dorpje in de Extremadura, begin jaren zestig als gastarbeider naar Brabant, getrouwd met een Nederlandse, drie zoons, verhuizing naar Catalonië, het overlijden van zijn echtgenote en nu is hij onderweg naar de eerste van zijn zoons om hem een kistje met belangwekkende inhoud te tonen. Daar komt hij nooit aan, zoals de openingszin van Landen al verraadt: ‘Hij overleed tijdens de landing.’ Zijn gesprekspartner in het vliegtuig neemt het kistje mee.

Een meervoudig migrant bij wie de landing samenvalt met de dood: de symboliek is helder. Het verhaal van de man, hij heet Salgado, is dan ook een typisch migrantenverhaal: waarbij zeker het uitstekend gedocumenteerde deel over zijn ronseling door Philips en zijn verblijf in Someren interessant is om te lezen, zij het dat Fàbregas een nogal monotone stijl hanteert, met soms onnodige woordherhalingen, die maakt dat Landen nergens echt gaat sprankelen.

Het verhaal van de Spaanse migrant Salgado wordt afgewisseld met dat van de jonge vrouw die in het vliegtuig getuige is van zijn dood. Zij blijkt ook van haar ankers losgeslagen: jong wees geworden, eenzelvig en sinds twee jaar bezig de mensen op te sporen die op een mysterieuze lijst met honderd namen voorkomen. Wat beide hoofdpersonen gemeen hebben, en wat ook nadrukkelijk het thema is van het boek, is hun aandacht voor de levens die zij niet hebben geleid. De man blijft maar denken aan hoe hij op de andere plaatsen in zijn leven geweest had kunnen zijn: in zijn geboortestreek of juist in Nederland wanneer hij weer in Spanje woont. De vrouw verwacht verlossing van de mensen op haar lijst.

Lang denk je als lezer ook dat de betekenis van die zoektocht, van die honderd namen, ook wel de betekenis van de roman zal zijn. Maar halverwege geeft Fàbregas die sleutel nogal achteloos weg. De achtergrond blijkt even verdrietig als banaal .

Dan is het wachten alleen nog op de climax, wanneer de hoofdpersonen ontdekken wat de lezer al weet. Het boeiende is dat die climax niet volgt. Er vindt wel een ontmoeting plaats die aan alle onzekerheid een einde kan maken, maar de betrokkenen raken door toevalligheden niet tot de kern van de zaak en gaan hun eigen weg. Einde boek, als een vliegreis zonder landing.

Dat bizarre slot confronteert je met de veronderstellingen die je tijdens het lezen had: dat de twee verhalen in het boek bij elkaar horen, dat ze sámen tot een oplossing zullen leiden. Nu ze dat niet doen, krijgt het hele boek iets ongrijpbaars en fascinerends – en begrijp je ook waarom Fàbregas een liefhebber is van Paul Auster en van conceptuele kunst. Landen heeft alles gemeen met het kistje dat de oude Salgado aan zijn zoon wilde laten zien. Dat is een kunstwerk van zijn overleden vrouw, gevuld met asresten en een niet bestaand woord: wát het betekent is niet helder, dát het iets betekent is een feit.