'Koude rillingen in deze hoek'

Anne Hermans is vrijwillig tropenarts in de jungle van Colombia. Ze doet tweewekelijks verslag van haar belevenissen. Ze schreef eerder over haar ervaring als co-assistent op deze pagina.

„Hij heeft koorts en koude rillingen, elke drie dagen”. De indianenmoeder duwt haar zoontje naar voren. Zijn bezwete voorhoofd voelt als een kookplaatje. Als ik hem naar Patachuma stuur voor een sneltest, besef ik plots dat dit al de vijfde is, sinds we hier aangekomen zijn, twintig minuten geleden. Vinden we nu, op mijn laatste brigade hier, toch nog een malaria-epidemie? Ik loop naar Patachuma. Terwijl hij de malariatesten telt, grabbel ik, met groeiende onrust, in de waterdichte ton naar strips chloroquine en primaquine. „19 testen”, concludeert Patachuma. „Medicatie voor 42 patiënten”, zucht ik. „Tijd voor een inventarisatie.”

„Koude rillingen in deze hoek.” Na wat aarzelen schuifelt een grote groep in de richting waarin Patachuma wijst. „Koorts?” Patachuma wijst naar een andere hoek. „Hoofdpijn? Benauwdheid? Overgeven, diarree?” De 412 leden van de gemeenschap delen zich op. Allemaal hebben ze op zijn minst één symptoom van malaria. Voor ik het weet is het donker. „Morgenochtend om zeven uur beginnen we weer”, roept Patachuma en de gemeenschap druipt af. Net als ik het schoolgebouwtje wil verlaten, tikt een vrouw me aan. „Jaidipuma”, zegt ze, en duwt me een uitgemergeld kindje onder de neus. Saté stok-beentjes en -armpjes, opgezwollen buikje, ingevallen oogjes, een kaal hoofdje met slechts één pluk haar, stevig vastgezet met een grote roze strik. Alsof moeder bang is dat ook dat er anders af zal vallen. 7,4 kilo, anderhalf jaar oud. Een lichte wanhoop maakt zich van me meester. „Ze moet mee naar het voedingscentrum”, zeg ik. „Liefst morgenvroeg”. „Maar we kunnen nu niet…” „Weet ik, maar…” „Doctora”, Patachuma legt zijn hand op mijn arm. „Maak een plan. Morgen, zodra het licht is, gaan we hard aan de slag. Wij volgen je orders. Nu, na 12 uur varen en de hele avond werken, moeten we slapen.”

Even later, op mijn matrasje, staar ik door de gaatjes in mijn muskietennet (ik wel!) naar de sterrenhemel. Het lijken de verwachtingsvolle ogen van mijn teamleden en de 412 indianen: „Doctora, maak een plan!” Maar wat geeft mij het recht voor god te spelen? Moet ik de Jaidipuma opofferen om 42 malariagevallen te redden? En hoe selecteer ik díe, zonder testen? Zweet op mijn voorhoofd, ik draai en draai, en kruip met een zucht onder mijn muskietennet vandaan. Na een half jaar het lukt me nog steeds niet om ’s nachts mijn eigen laarzen te vinden… Ik grijp de maat 42 laarzen van Pablo, de stuurman, en schuifel de donkere jungle in. „Doctora, maak een plan!” Voor het eerst kunnen de slangen met niet schelen.

Al peinzend plas ik over Pablo’s laarzen en wandel in het maanlicht naar de rivier om ze te wassen. Malaria vivax is niet de gevaarlijkste vorm. We hebben drie dagen om iedereen te registreren, zodat ze volgende week terug kunnen komen met meer medicatie, testen en netten. En Jaidipuma… Uitgelaten ren ik terug, spit door de voedselton. „Melkpoeder, suiker, water, stukjes geweekt brood. Jaidipuma zal leven!” mompel ik bezwerend en val in slaap.

De dagen daarop zien Patachuma en ik de hele gemeenschap, registreren van elk de symptomen en selecteren uit die lijst de 42 ‘zieksten’. Pablo gaat vier keer per dag langs Jaidipuma om haar onze magische papjes te voeren. Maar gek genoeg lijkt voor haar moeder een opname in het voedingscentrum onbespreekbaar.

Donderdagavond bij kaarslicht zien we de laatste patiënten. Vrijdagochtend om zes uur laden we de boot in. Het halve dorp staat op de kleikade in het flauwe licht van de opkomende zon.

Mijn ogen gaan schichtig langs de naakte lichamen. „Waar is…?” Patachuma haalt zijn schouders op. „Ze vind het vast eng om haar gemeenschap te verlaten.” „Daar!” Over de glibberige kleitrap, komt een vrouw onze richting opgeschuifeld, met op haar arm een minuscuul ‘pakketje’ met grote roze strik.