Komen een schrijver en een satanist op een decadent feestje

Niccolò Ammaniti: Laat het feest beginnen! (Che la festa cominci). Vert. Etta Maris. Lebowski, 224 blz. € 19,90.

Niccolò Ammaniti noemde zijn nieuwe roman Laat het feest beginnen en de vertaalster voegde daar een uitroepteken aan toe. Dat is een vergaande ingreep, maar hij klopt. Alles in dit boek is namelijk in superlatieven gehouwen.

Laat het feest beginnen! wentelt zich tussen tegenpolen. Aan de ene kant paradeert een succesrijke schrijver zoals Italië ze de laatste jaren voortbrengt bij de vleet: jong, serieus, televisiegeniek en man. Denk aan Sandro Veronesi of Paolo Giordano.

Aan de andere kant wankelt een evidente verliezer. Obees, slaaf van zijn scheldende zonnebankvrouw. Maar vooral: satanist. Zinnend op ritueel geweld, uit woede dat hij geen graantje van rijk en beroemd kon meepikken. Betreurenswaardig, als hij niet zo destructief zou zijn, voor zichzelf en voor iedereen die zijn pad kruist. Personages als hij beende Ammaniti vaker, en radicaler, uit, bijvoorbeeld in Zo God het wil (2007).

In korte hoofdstukken pingpongend tussen deze extremen, swingt Ammaniti over bekend terrein. Zijn voorliefde voor toevalligheden past hij opnieuw toe, dit keer zo geroutineerd dat ze geen provocaties meer lijken, eerder een gebrek aan schrandere literaire strategie. Hij ontlokt, zoals hij dat goed kan, maximaal effect aan zijn geestelijk verloren personages, met halfwetenschappelijke terminologie voor gewone dingen en een sprankje soft porno. Hij hopst met gemak van hoge naar lage cultuur en weer terug. Dat was in zijn vorige roman rebels, nu leest het als gesneden koek. Zijn onverwachte metaforen zijn vaak lukraak, die veelzeggend lijken, maar leeg zijn.

De schrijver en de satanist bezoeken een societyfeest in Rome, de een als gast, de ander als personeel. Er dartelen beroemdheden uit de tv-, muziek-, film- en modewereld, wat gevestigde kunstenaars zijn hun schoothonden. Het evenement heeft de allure van de banketten van keizer Nero. Weelde noch decadentie kennen grenzen, wreedaardig gedrag is een houvast, gehoorzaamheid aan de grillen van de gastheer verplicht.

Ammaniti gooit er nog een schepje bovenop, met moorddadige onderaardse wezens, vetgemest met junkfood uit afvalbakken. Het feest met het uitroepteken blijkt vooral het verval van Italië te te symboliseren, moreel, sociaal, cultureel, psychologisch, esthetisch. En niemand die het iets kan schelen.

Ammaniti is een ster zoals de schrijver in Laat het feest beginnen! Maar aan zelfspot waagt hij zich niet. Liever overweldigt hij de lezer met een breed uitgesmeerd verhaal. Hij is tevreden met clichés, bedwingt de steigerende reeks incidenten met een overbodige clou en valt door de mand als hij en passant nog even de verplichte maatschappijkritische kanttekeningen kwijt wil.