Kijk mij de planeet eens redden

Alle zwakheden van de mens heeft Ian McEwan vereeuwigd in een wetenschapper die samen met andere idealisten het beste voor heeft met de aarde – mits hij er vooral zelf beter van wordt.

Ian McEwan: Solar. Jonathan Cape, 285 blz. € 23,-. De vertaling van Rien Verhoef verschijnt in september 2010 bij De Harmonie.

Al een tijdlang zoemde het rond: Ian McEwans nieuwe roman Solar zou over de klimaatverandering gaan. Na de mislukking van de klimaattop in Kopenhagen zou hij zijn boek zelfs hebben aangepast. In de roman, die vorige week verscheen, krijgt de hoofdpersoon op de valreep een mailtje, waarin hij wordt uitgenodigd de verzamelde wereldleiders in Kopenhagen toe te spreken. Als dat de aanpassing is, dan is het een goeie want deze hoofdpersoon, de fysicus en voormalig Nobelprijswinnaar Michael Beard, blijkt zelf een nog veel grotere mislukking te zijn, al duurt het bijna de hele roman voordat dit ook tot hem zelf doordringt.

In hoeverre kun je Solar nu een roman over de klimaatverandering noemen? Er wordt tegenwoordig weer veel gesproken en geschreven over het engagement in de literatuur. Ook Solar kan, net als The Child in Time, Black Dogs of Saturday, voor een geëngageerd boek doorgaan, wat niet wil zeggen dat de lezer moreel het mes op de keel krijgt gezet, bijvoorbeeld om zich meer te bekommeren om de opwarming van de aarde. De hele klimaatverandering is eerder een actueel gegeven, dat McEwan gebruikt om er een literair spel mee te spelen, maar wel een serieus spel.

Meer dan in welke van zijn eerdere romans, heeft dat spel in Solar de trekken gekregen van een satire. De niet zelden hilarische situaties waarin Beard terechtkomt zijn nogal zwaar aangezet – en dat geldt, op een letterlijke manier, ook voor Beard zelf. Kalend en klein van stuk, verwerft hij in de loop van het boek steeds meer overgewicht, ten prooi als hij is aan een onbedwingbare vraatzucht. Toch zijn er altijd weer mooie vrouwen die voor hem bezwijken, ook al gaat hij er prat op nog nooit tegen één van hen ‘ik houd van jou’ te hebben gezegd. Liefde interesseert hem niet, seks des te meer – dat is voor hem even onmisbaar als alcohol en eten, verschrikkelijk veel eten.

Dat die mooie vrouwen op zijn avances ingaan en soms zelfs met hem trouwen, blijft raadselachtig. Waarschijnlijk verklaart de Nobelprijs veel. En dom is Beard natuurlijk niet, integendeel. Ooit was hij een ‘genie’, toen hij tijdens een ‘briljante zomer in zijn jeugd’ de ontdekking deed (een theorie over het samenspel van licht en materie, sindsdien de ‘Beard-Einstein Conflation’ geheten) waarvoor hij de prijs kreeg. Daarna heeft hij niets van belang meer gepresteerd, geen nieuwe ideeën hebben zich bij hem aangediend. Als wetenschappelijke beroemdheid vult hij zijn dagen met erebaantjes en praatjes op radio en tv, hij laat zich benoemen tot voorzitter van tal van commissies, vooral vanwege het honorarium, en neemt deel aan panels en forums.

In het eerste deel van de roman dat in 2000 speelt (de beide andere delen spelen respectievelijk in 2005 en 2009) staat hij aan het hoofd van een regeringscentrum voor onderzoek naar alternatieve energie, waarvoor iedereen zijn al dan niet geschifte plannen en voorstellen kan indienen. Het onderwerp interesseert hem nauwelijks, maar veel hoeft hij er niet aan te doen, want anderen nemen het echte werk voor hun rekening.

Michael Beard, kortom, is een man die zijn ene bijzondere prestatie royaal weet uit te buiten. Maar, schrijft McEwan, ‘alle opwinding en onvoorspelbaarheid zat in zijn privéleven’. Daar is hij in 2000 alweer aan zijn vijfde echtgenote toe, die hem – voor de afwisseling – een koekje van eigen deeg bezorgt, door affaires met andere mannen te beginnen. Beard, die zelf tijdens zijn huwelijk de ene minnares na de andere verslijt, barst bijna uit elkaar van jaloezie. Omdat hij haar niet meer kan krijgen, stijgt de begeerte naar zijn eigen vrouw tot onhoudbare hoogte. Met deze explosieve combinatie van gevoelens begint het verhaal van de roman.

McEwan vergeet zelden zijn romans van een ingenieuze plot te voorzien, vaak met een naargeestig, luguber randje. Naargeestig of luguber wordt Solar geen moment, daarvoor zijn de satirische elementen te dominant. Maar de roman is wel min of meer als een thriller opgezet (over gebrek aan spanning zal niemand zich hoeven te beklagen), en dus zou het flauw zijn te veel details te verklappen.

Het komt erop neer dat Beard de lumineuze ideeën van een jongere collega (die zijn affaire met Beards echtgenote niet overleeft) inpikt en als zijn eigen ideeën wereldkundig maakt. Deze ideeën hebben alles te maken met de zon, vandaar de titel van de roman. Beards collega heeft een methode gevonden om met behulp van de zonnestralen schone energie aan water te onttrekken. De fatale CO2-uitstoot zou drastisch verminderen, als de mensheid voortaan van deze energie gebruik ging maken. Hoewel hij nog net geen klimaatscepticus is, laat Beard zich overtuigen door de lucratieve vooruitzichten die zich langs deze weg aandienen. Hij vraagt de nodige patenten aan en neemt zich voor de planeet te ‘redden’.

Het lijkt even potsierlijk als doortrapt. Maar vlak vóór deze bekering heeft Beard kennisgemaakt met een groep idealisten die last hebben

Vervolg op pagina 2

‘Comédie humaine’ van Ian McEwan

van dezelfde ambitie, zij het met geheel andere motieven. Om even te kunnen ontsnappen aan de huwelijkse frustraties, is hij ingegaan op de uitnodiging om een week door te brengen op een vastgevroren schip in het poolijs boven Spitsbergen. Het gezelschap waarin hij terecht komt bestaat uit bevlogen kunstenaars, die in het ijs pinguïns boetseren of met zang en dans quasi-religieuze rituelen uitvoeren.

Tot zijn eigen verbazing verwerft Beard bij deze doorgewinterde idealisten iets van populariteit, omdat hij als natuurwetenschapper ‘echt’ iets aan de problemen zou doen. Het levert hem, zo schrijft McEwan ironisch, de ‘aangename illusie’ op dat hij ‘de mensen wel mocht’. Dezelfde illusie zal voor enig zelfbedrog hebben gezorgd bij zijn verder geheel door opportunisme ingegeven beslissing om zich als redder van de planeet op te werpen.

De excursie naar het Hoge Noorden (die McEwan ook zelf heeft gemaakt; hij zou er het idee voor dit boek hebben opgedaan) levert de roman een van zijn vermakelijkste, hier en daar bijna slapstickachtige episodes op. Op de barre heenreis per sneeuwscooter denkt Beard dat zijn geslachtsdeel is bevroren en vervolgens afgebroken, nadat hij in de ijzige kou een plas heeft gedaan. Eenmaal aan boord van het schip wordt hij gefrappeerd door de almaar toenemende chaos in de kleedkamer, waar ieders garderobe elke dag weer een janboel blijkt te zijn en waar onmisbare uitrustingstukken zoals laarzen, helmen en jassen op onverklaarbare wijze plegen te verdwijnen. Hoe zouden lieden die zelfs zoiets simpels als een kleedkamer niet op orde kunnen houden, ooit in staat zijn om de planeet te redden, vraagt Beard zich af.

Goede vraag. Wat voor de artistieke idealisten geldt, geldt echter evenzeer voor hem zelf. Waarom zou iemand die van zijn eigen leven zo’n puinhoop maakt, de planeet wél kunnen redden? Het zal er dan ook niet van komen, ondanks het eigen bedrijf dat Beard heeft opgericht om de gestolen ideeën van zijn gestorven collega te exploiteren en ondanks de voorgenomen feestelijke demonstratie van de eerste praktische resultaten in de woestijn van New Mexico. Alles loopt op een onherstelbare manier uit de klauwen. Op de laatste bladzijde van de roman, zich afspelend in een restaurant waar zelfs het voorgerecht ongewoon lang op zich laat wachten, is duidelijk dat Beard definitief de bodem heeft bereikt, zowel professioneel als privé.

Betekent dit nu dat McEwan niets zou zien in alle pogingen om de dreigende opwarming van de aarde te keren?

Dat is te snel geconcludeerd. Want de wetenschap zelf (‘van menselijke smetten vrij’) deelt niet in de onttakeling van de man die haar zo schaamteloos heeft misbruikt. Wat mensen met haar uitspoken is vaak kwaadaardig of kortzichtig, maar aan haar eventuele waarheid doet het niets af. In het tweede deel van de roman wordt de wetenschap niet toevallig in bescherming genomen tegen postmoderne onzin, volgens welke ook de natuurwetten zouden berusten op ‘sociale constructies’. Wanneer Beard het slachtoffer wordt van een postmoderne hysterica en de meedogenloze sensatiezucht van de media – opnieuw een zeer vermakelijke episode – is het onmiskenbaar dat de sympathie van de lezer ditmaal naar hém dient uit te gaan.

Meestal is dat niet zo. Het valt ook niet mee om sympathie op te brengen voor dit verwende, egoïstische, luie, achterbakse, onbetrouwbare, slordige wezen, dat voortdurend zijn muil volpropt en zijn pik achterna loopt – totdat je je realiseert dat McEwan in Michael Beard feitelijk alle menselijke zwakheden heeft verenigd. Vandaar dat dit personage, in weerwil van alle karikaturale trekken, toch steeds zo’n levendige indruk maakt. In hem kunnen we het weinig flatteuze zelfportret herkennen van de (westerse) mensheid, verslaafd aan seks en junkfood, maar niet verstoken van intelligentie. Deze cynische profiteur die zijn compagnon toevoegt als deze onder invloed van de klimaatscepsis aan het twijfelen slaat: ‘Toby, luister. Het is een catastrofe. Relax!’, deze tot zakenman en bedrieger afgezakte Nobelprijswinnaar – we zijn het zelf.

Hoewel Solar maar één echte hoofdpersoon kent, wordt de roman zo toch een heuse comédie humaine, die je als lezer onvermijdelijk met zeer gemengde gevoelens achterlaat – zij het niet ten aanzien van het literaire meesterschap van de auteur.