Iedereen zat fout, behalve Joe

Joseph Stiglitz: Freefall. Free markets and the sinking of the global economy. Allan Lane, 361 blz. € 23,99. Vert. door Ed Lof als: ‘Vrije Val’, Het Spectrum, 384 blz. € 29,90

De Verenigde Staten hebben de grootste bankroof ter wereld in scène gezet. Met de bankiers van Wall Street als de overvallers en de mensen in Main Street als slachtoffers. De rekening voor de schade werd doorgeschoven naar de overheid in Washington.

Zo vat Joseph Stiglitz, winnaar van de Nobelprijs voor economie in 2001, de crisis samen die het Amerikaanse financiële kapitalisme in 2008 bijna had opgeblazen. Stiglitz (1943) geldt als vooraanstaand econoom, criticaster van globalisering en onbeteugelde vrije markten. In zijn nieuwste boek, Freefall, ontpopt hij zich als een verongelijkte mopperaar. Iedereen zit ernaast, behalve onze Joe.

Het begin is veelbelovend. In de inleiding zet Stiglitz uiteen dat de financiële crisis niet de schuld is van individuele bankiers, maar van het systeem als zodanig, van belangen en de ideologie van marktfundamentalisme.

‘Deze crisis is door mensen gemaakt. Wall Street deed het zichzelf en de rest van de samenleving aan. […] Het systeem dat faalde ontstond niet bij toeval. Het werd geschapen. Er waren mensen bij betrokken die het zijn vorm gaven en degenen die het gecreëerd hebben en er leiding aan gaven, moeten daarvoor verantwoordelijk worden gehouden.’

Het is een crisis ‘Made in the USA’, aldus Stiglitz. Vervolgens stelt hij zich tot taak te onderzoeken wat de dieper liggende oorzaken zijn, zoals ‘bij het schillen van een ui’. Hierbij komt hij niet tot opzienbarende inzichten. De gebruikelijke verdachten – deregulering, bonussen, derivatenhandel, consumptieve schulden, hypotheken, marktfalen – passeren de revue.

Bankiers deugen niet, maar dat is zo vanzelfsprekend voor Stiglitz dat hij aan hen niet veel aandacht besteedt. Hij richt zijn kritiek vooral op de wijze waarop de Amerikaanse overheid de crisis heeft aangepakt, en daarbij boog voor de macht van Wall Street en de belangen van de financiële sector. Als een populistisch econoom kiest Stiglitz partij voor Main Street: voor de gewone burgers die hun baan verloren, hun huis moesten verlaten en hun spaargeld zagen verdampen.

In Washington deed iedereen het fout. Uiteraard president Bush (belastingverlaging) en minister van Financiën Hank Paulson (redding van de banken). Bill Clinton was ook al fout omdat hij een begrotingsoverschot had nagelaten. President Obama deed het verkeerd omdat hij geen afstand nam van het beleid van Bush. Obama had ‘geen visie op de economie en ook niet op de redenen waarom het systeem faalde’. Het stimuleringspakket van Obama was te klein om de werkloosheid te bestrijden. Minister van Financiën Geithner en economisch adviseur Summers deden het verkeerd. Zowel Greenspan als zijn opvolger Bernanke, voorzitters van de Federal Reserve (de Amerikaanse centrale bank), heeft fout beleid gevoerd door vast te houden aan het geloof in de markt.

Het is een litanie waarin Stiglitz blijft steken in algemeenheden, een degelijke onderbouwing ontbreekt. Zoals ook zelfs maar een aanzet tot een reconstructie achterwege blijft van de wijze waarop beslissingen tot stand kwamen en afwegingen gehanteerd werden, van risico’s die speelden en fouten die werden gemaakt. Wat dan wel?

Stiglitz stelt een strategie voor waaraan hij ook de naam van Paul Krugman verbindt, winnaar van de Nobelprijs economie in 2008. De Krugman-Stiglitz doctrine luidt: ‘Als sprake is van een zeer zwakke economie, val aan met overweldigende overmacht.’ Dat wil zeggen: een massaal stimuleringsprogramma van de overheid, gericht op investeringen en versterking van de consumptie.

Stiglitz weet dat oplopende overheidstekorten op den duur onhoudbaar zijn, maar voor deze tegenstrijdigheid heeft hij geen oplossing. Behalve dat de belastingen omhoog moeten en dat er minder geld naar de redding van banken moet. Reddingsoperaties zijn gedoemd te mislukken en grote banken zijn nooit too big to fail. Ze scheppen trouwens ook nauwelijks banen.

Er moet, aldus Stiglitz, een ‘nieuwe kapitalistische orde’, een ‘nieuw economisch model’ komen. Hoe moet dat eruitzien? Verder dan een ‘nieuw sociaal contract’, volledige werkgelegenheid en ‘een grotere rol voor de staat’ komt hij niet: ‘de richtingen zijn nog niet duidelijk, maar het zal wel extra publieke uitgaven vergen.’ Hij besteedt nauwelijks aandacht aan China en helemaal niet aan de Europese Unie – waar maatregelen over versterkt toezicht, opsplitsing van banken en coördinatie van het economisch beleid verder gevorderd zijn dan in de VS.

Aan het slot noemt hij toch een voorbeeld van het economische model dat hem voor ogen staat: het boeddhistische koninkrijk Bhutan in de Himalaya. Twee pagina’s verder, op pagina 287, schrijft hij dat ‘een volledige discussie over deze onderwerpen te ver gaat in het bestek van this short book.’

De vrije val van de Nobelprijswinnaar is daarmee compleet.