Hun achtergrond is verknoopt met die van de gehangenen

Louise Erdrich: De duivenplaag (The Plague of Doves). Vert. Vosmaer en Van Santen. Nieuw Amsterdam, 349 blz. €18,50

Louise Erdrich is een Amerikaanse auteur van half indiaanse, half Duitse afkomst; ze publiceert met grote regelmaat verhalen in The New Yorker en Atlantic Monthly, sfeervolle en doorgaans pointeloze verhalen die zich afspelen in het haar vertrouwde milieu op en rond een indiaans reservaat in het noorden van de VS. Maar wanneer dan weer een nieuwe roman van haar verschijnt blijken bijna onveranderlijk die verhalen toch een samenhang te hebben en de roman uit die schijnbaar ongerelateerde verhalen opgebouwd.

Het onlangs vertaalde De duivenplaag is niet alleen een hoogtepunt in haar oeuvre maar ook een goed voorbeeld van haar methode. Centraal in de roman staan twee gruwelijke gebeurtenissen: de moord op vijf leden van een blank gezin in het stadje Pluto en de wraakactie van een handvol buurtgenoten die ‘eigenrichting’ plegen en een stel indianen ophangen van wie ze denken dat ze de moord hebben gepleegd.

In de vertelling worden daarna de belevenissen beschreven van enkele betrokkenen gedurende de decennia die volgen. Maar in plaats van te focussen op de hoofdlijn van het verhaal waaiert alles wild uiteen en lijken sommige verhaallijnen zich aan dat centrum te onttrekken. Er is ruime aandacht voor de ‘concessiekoorts’ die zich van sommige van de mannen meester maakt en de barre tocht die zij ondernemen om land in North Dakota tot hun eigendom te maken. Al even indringend beschreven is de waanzin van een ander, die zijn vrouw dwingt samen met hem het land door te reizen om zijn eigen bizarre versie van het woord Gods uit te venten.

Uiteindelijk blijkt Erdrich toch de regie strak in handen te hebben gehad, precies genoeg informatie te hebben gedoseerd en onthouden om de lezer nieuwsgierig te laten blijven naar het mysterie dat het boek beheerst. Al doende creëert ze eerder een tableau die verder reikt dan de voorgeschreven begrenzing van het canvas, dan een legpuzzel die uiteindelijk in elkaar moet passen. En zo hebben de diverse elementen die vooral voor kleur leken te moeten zorgen uiteindelijk allemaal hun plaats zonder een of andere onwrikbare functionaliteit te hebben moet dienen. Dat komt de rijkdom van de vertelling ten goede. De duivenplaag is een verhaal over wreedheid en de verwerking ervan, maar ook over de teloorgang van een stadje en de oorspronkelijke cultuur. Zoals een van de mannen het uitdrukt, door een blanke lokale historica gevraagd naar zijn herinneringen aan het stadje Pluto en het reservaat: ‘Wat jij vraagt, is hoe is het gestolen? Hoe is deze grote diefstal acceptabel geworden? Hoe komt het dat wij naast jou wonen, terwijl we weten wat wij verloren hebben en dat jullie het genomen hebben?’

Erdrich laat sluw bij beide moordpartijen één bijna-slachtoffer de gruwel overleven om hun beider perspectieven aan het ensemble van vertellers toe te voegen. Van de lynching is dat Mooshum, de grootvader van Evelina, een van de vertelsters die bedenkt ‘hoe de geschiedenis zich ontwikkelt in de levenden [...], al die mensen wier achtergrond verknoopt is met de gehangenen. [...] Nu sommigen van ons in de bron van ons bestaan zowel schuld als slachtoffer hebben vermengd, kan het touw niet meer ontward worden.’ Zelf is zij een voorbeeld van die ‘verknoping’ die de kleine, besloten gemeenschap is gaan kenmerken na al die jaren: als nabestaande van een van de gehangenen vat zij een platonische liefde op voor haar onderwijzeres zuster Maria Anita, die weer familie is van de man die de wraakactie initieerde.

Wanneer ook de enige overlevende van de oorspronkelijke slachtpartij als laatste haar woord heeft gedaan, en de identiteit van de ware moordenaar als een verrassing is geopenbaard, zal menig lezer de neiging voelen sleutelhoofdstukken in het boek te herlezen. Dat is niet erg, integendeel. Erdrichs roman is een wonder van vertelkunst. Het zou mooi zijn als er in Nederland meer belangstelling voor haar oeuvre komt.