Hier dragen vrouwen getemde kolibries aan hun oorringen

Anne S. Troelstra: Kolibries in de oren. Natuurhistorische reisverhalen 1700-1950. Atlas, 654 blz. € 34,90

Reizen doet men het aangenaamst bij de haard, in een fauteuil, met een rijk reisboek. Anderen mogen dan het paradijs op aarde in vreemde streken zoeken, ze komen er vanzelf achter dat zoiets niet bestaat. Ik las hier een fraai bewijs voor, afkomstig van de Italiaanse ontdekkingsreiziger Luigi d’Albertis, die in 1872 in een oerbos op Nieuw-Guinea belandde: ‘Ik was zo in mijn schik dat ik me in een oerwoud bevond, dat ik alle kanten uit wilde rennen. Maar nu eens doorboorde een doorn mij de kleren en scheurde mijn huid open, dan weer deed een over het pad gespannen liaan me met geweer op de grond vallen […]. Na een omzwerving van verscheidene uren moest ik erkennen dat een oerwoud toch geen paradijs is.’

De wijze thuisreiziger glimlacht bij zo’n passage en leest verder. Bij voorbeeld over de reis van de Britse officier John Speke die in 1862 in het Victoriameer de bronnen van de Nijl zou ontdekken. Onderweg ernaartoe bezoekt hij het hof van negerkoning Roemanika: ‘De buitengewone afmetingen en de daarbij toch aantrekkelijke schoonheid van zijn verbazend vette vrouw, verraste mij niet weinig. Haar armen waren zo dik, dat het vlees tussen de gewrichten als grote, los gestopte worsten hing te schudden. Een van de hofdames leek precies op een kogel, kon niet staan, maar alleen op handen en voeten kruipen en moest door mij op de grond liggend gemeten worden.’

Veel ontdekkingsreizigers schreven boeken om thuisblijvers in te lichten over verre streken, Speke en D’Albertis vormen hier geen uitzondering op. Er zijn ook thuisblijvers die andere thuisblijvers over verre streken vertellen, dat wil zeggen: over boeken over verre streken. Tot de laatste categorie hoort Anne S. Troelstra, een mathematicus annex huis-en haard-reisfanaat, die eerder een omvangrijk boek over natuurhistorische reizen samenstelde: Tijgers op de Ararat. Nu verscheen van hem een vervolg getiteld Kolibries in de oren. Natuurhistorische reisverhalen 1700-1950. Wat Troelstra doet in deze boeken vat hij zelf precies samen: ‘Een aantal schrijvers van natuurhistorische reisverhalen worden geïntroduceerd, hun reizen samengevat, hun stijl van beschrijven en verhalen en hun attitudes geïllustreerd met overvloedige citaten, verder aangevuld met biografische gegevens en een aanduiding van de wetenschappelijke betekenis van de reis’.

Kolibries in de oren is in veel opzichten een uitputtend boek. Het is bandeloos, meerslachtig van karakter, in omvang en gewicht gelijk een Roemanika-hofdame, en daarmee een verrukkelijk boek. Dat het je tegelijkertijd weet teleur te stellen maakt het lezen van deze semi-wetenschappelijke, historische nattehis-reiscollectie tot een totaalervaring.

De mooiste reisschrijvers zijn natuurlijk de leugenaars. Zeker voor nauwkeurige reisschrijfbeschrijvers als Troelstra (analyse, vergelijking, notenapparaat, omvangrijke bibliografie) leveren reizende snoevers en fabulanten een kluif om van te watertanden. Zo besteedt hij aandacht aan Wanderings in the Interior of New Guinea (1875) van ene kapitein J.A. Lawson. De reusachtige wallahboom (90 meter hoog, stamdiameter 6 meter) van de kapitein blijkt niet te bestaan, maxi-schorpioenen (25 cm.) en een wonderbaarlijk rappe beklimming van Mount Hercules (10.000 m) blijken afkomstig uit Lawsons dikke duim. Lawson hoogstpersoonlijk blijkt zelfs afkomstig uit een dikke duim. Prachtig. We lezen dit echter pas op pagina 483, en dan hebben we ons door zeker 300 bladzijden ernst heen gewerkt. Leuke anekdotes soms, maar lang niet allemaal. Ik moet er wel bij zeggen dat Troelstra’s uiteenzettingen gemiddeld op de interesseschaal wel bevredigend scoren.

Er is echter een probleem met de spanningsboog in Kolibries in de oren. Troelstra opent met de grootste reiszwetser van het hele boek, C.G.W. Vollmer (1797-1864), auteur van Natur- und Sittengemalde der Tropenländer. Getemde kolibries die in oorringen blijven zitten, en dat doen ze in het aan hun natuurlijke habitat wezensvreemde Nederlands Oost-Indië. Tendentieuze beschrijvingen van de Nederlandse kolonialen aldaar, heren (‘blanke beulsknechten’) laten hun koets door een achtvoudig negerspan voorttrekken.

Vollmer staat verderop in zijn boek aan de bron van de Orinoco-rivier, waarvan hij een onderaards traject bevaart. Hij steelt overvloedig uit de geschriften van de waarheidslievende natuurvorser Humboldt, zegt lijfelijk verwend te zijn door een Inca-meisje. Bijeengenomen zijn de Natur- und Sittengemalde een en al romantische dwaasheid, fantasie en overdrijving. Aldus Troelstra.

Zijn Vollmer-hoofdstuk draait uit op een bijzonder spannende, onbedoeld humoristische strijd tussen ernst en humor. Een confrontatie tussen een (emeritus) hoogleraar mathematica, thuisreiziger alsmede natuurhistorische pluizer, en een 19de- eeuwse fictieauteur. Het is een genot om te lezen als men niet zo nodig weg hoeft, met een onderhoudend vervolg. Maar ook dat is werkzaam tegen de verveling, als men nooit de deur uitkomt.