Financieel bungeejumpen

De mondiale financiële implosie heeft al een vracht aan analyses opgeleverd. Het gekke is, dat een buitenstaander als de Britse literator John Lanchester een verrassender boek aan de stapel toevoegt dan de Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz.

John Lanchester: Whoops! Why Everyone Owes Everyone and No One Can Pay. Penguin, 223 blz. € 25,-. Vert. Pim Lukkenaer (De kapitale crisis) bij Prometheus, 227 blz. € 22,90

‘Devastatingly funny’, ‘verwoestend grappig’ staat er op de cover van Whoops!. Vooral dat eerste woord echoot nog lang na, want de literaire auteur John Lanchester (1962), wiens vader bankier was en die in 2008 in de London Review of Books begon met een serie artikelen over de bankwereld, weet door zijn heldere uitleg en zijn authentieke morele verontwaardiging goed zicht te geven op de puinhopen die resten na de mondiale financiële implosie.

Economie bepaalt zeer ons dagelijks leven en de gevolgen van de kredietcrisis zullen in het komende decennium alleen maar duidelijker worden. Toch laten massa’s intelligente mensen zich erop voorstaan dat ze niks van economie begrijpen. Voor hen heeft Lanchester dit boek geschreven. Hij presenteert zich nadrukkelijk als buitenstaander, vroeger als jongetje bang voor pinautomaten en nu als schrijver niet bijster kredietwaardig. Als een goede economieleraar legt hij vervolgens uit hoe boekhouden ontaardde in ‘financieel bungeejumpen’. Hij houdt de stof levend door zijn verbijstering hierover niet onder stoelen of banken te steken, en hij is funny – soms puberaal, zoals in zijn titel, vaker gelukkig wat volwassener. ‘Evenals andere vormen van menselijk gedrag onderging ook het geldwezen in de 20ste eeuw een verandering, een verschuiving te vergelijken met de opkomst van het modernisme in de kunst – een breuk met het gezond verstand, een omslag naar zelfreferentie en abstractie en termen die niet in alledaags Engels uitgedrukt konden worden.’ (Leest u dit boek vooral in het Engels, want de vertaling is Vlaams, lelijk en er staan gruwelijke fouten in. In een passage over schulden is owe, schuldig zijn, bijvoorbeeld vertaald alsof er own, bezitten, stond.)

Lanchesters analyse verschilt in weinig van die in de voornaamste boeken die over de kredietcrisis zijn verschenen, zoals Fool's Gold van Gillian Tett, Animal Spirits van Akerlof en Shiller, Niall Fergusons The Ascent of Money en Black Swan van Nassim Taleb (alle besproken in Boeken). Maar hij vat helder samen. De crisis was het gevolg van een klimaat (de ineenstorting van het communisme ontketende het kapitalisme), een probleem (het verstrekken van hypotheken aan kredietonwaardigen), een fout (de mate waarin de financiële wereld vertrouwde op wiskundige modellen en wiskundige risicoberekeningen), een falen (van de regelgevers die te verknoopt waren met de bankwereld) en een cultuur (de ideologie van de onfeilbare markt, de arrogantie van bankiers). Als buitenstaander heeft Lanchester oog voor zaken die ingewijden misschien minder zouden opvallen. Telkens wijst hij er bijvoorbeeld op, dat financiële producten die ‘in een ideale wereld, bevolkt door vegetariërs, Esperantosprekers en donzige knuffelkonijntjes’ bedoeld waren om risico’s te vermijden, benut werden om riskanter mee te gokken. ‘Alsof mensen de uitvinding van de autogordel gebruikten als aansporing om dronken te gaan rijden.’

Lanchester is het best op dreef als hij economische basisbegrippen of financiële producten uitlegt, van het verschil tussen opties en futures tot de credit default swap, volgens hem de ‘chief baddy, the gang leader, the Mafia don’ der derivaten. Ongegeneerd gebruikt hij basisschoolmethodes, zoals in de passage over je buren, de Smiths en de Joneses, en hoe je wat je van hen leent zo kunt weggoochelen dat zíj de dupe worden als jíj in gebreke blijft.

In grote lijnen is hij minder goed. In een op zich vermakelijke passage over de Britse obsessie voor huizenbezit voert hij die terug op de ontworteling door de industriële revolutie, maar meer dan een theorietje lijkt dat niet. Ernstiger mis gaat het als hij de aanloop naar de twee decennia van flitskapitalisme beschrijft. Die bekijkt hij te eenzijdig, zonder oog voor het feit dat deregulering de gestagneerde economieën van de jaren tachtig weer vlot trok en een maatschappij heeft opgeleverd die wij nu vanzelfsprekend vinden: hoogstaand in technologie en consumptie, mobieler, dynamischer.

Lanchester laat zien hoe iedereen, bankiers, burgers, regeringen, vrolijk meedraaiden in de steeds harder tollende carrousel. Maar hij toont ook hoe een bankierscultuur van ‘wetten-zijn-voor-losers’ leidde tot het systematisch en actief omzeilen van de regels die er wél waren. Over de toekomst is hij niet vrolijk. In Groot-Brittannië bestaat de rekening vooralsnog uit een staatsschuld van bijna 80 procent van het bbp, een noodzakelijk jaarlijks bezuinigingsprogramma van meer dan 35 miljard pond, en een regering die, of zij nu uit Tories of Labour zal bestaan, het evenwichtskoord zal moeten bewandelen tussen het reduceren van die schuld en het land in een nog verdere recessie storten. Tel de hoge persoonlijke schulden van de creditcard-minnende Britten daarbij op, en de conclusie is: ‘daarmee lijken we [...] veel op een tekenfilmfiguurtje dat van een klif is gerend maar dat nog niet doorheeft.’

Devastatingly funny. Maar niet heus.