Egodocument van een mensenhoofd in de branding

Carlos Fuentes: De wil en het lot (La voluntad y la fortuna). Vert. Mariolein Sabarte Belacortu. Meulenhoff, 495 blz. € 24,50

Een afgehouwen mensenhoofd ligt in de branding van de Stille Oceaan en vertelt hoe het in die betreurenswaardige situatie terecht gekomen is. Dat zou een veelbelovend begin van een roman geweest kunnen zijn, als Carlos Fuentes er niet de auteur van was geweest. Met De wil en het lot, dat met deze scène opent, bewijst deze Mexicaanse schrijver zich vijfhonderd bladzijden lang opnieuw als de meest overschatte romancier van de Latijns-Amerikaanse boom.

De inmiddels ruim tachtig jaar oude Fuentes schreef zo’n 25 romans, naast een groot aantal essaybundels, korte verhalen en toneelwerk. Slecht zijn ze sinds Fuentes (nog onvertaalde) debuutroman La región más transparente (Het meest doorzichtige gebied) of De dood van Artemio Cruz uit 1962 niet allemaal geweest. Maar wie de oogst van de afgelopen decennia overziet, van het quasi-feminisme van De jaren met Laura Díaz tot het machtsdrama De stoel met de adelaar, vraagt zich af waarom deze auteur nog altijd als een serieuze kandidaat voor de Nobelprijs wordt beschouwd.

De thematiek van De wil en het lot doet nog het meeste aan de laatstgenoemde roman denken. Opnieuw gaat het over macht, corruptie, geldzucht en seks binnen de hoogste politieke, financiële en zakenkringen van het land.

Wel is de vorm anders: geen brievenroman, maar een mengsel van mythologie, beschouwing en egodocument – voor zover het afgeslagen hoofd dat zich zijn leven herinnert een ‘ego’ kan heten.

Dat hoofd behoorde bij het lichaam van Josué Nadal, een ouderloos opgegroeide jongen die hartsvriendschap sluit met zijn schoolkameraad Jericó en samen met hem alle terreinen van de macht verkent. Gewone aardse macht is daarbij niet voldoende. Aardgodinnen, engelen en de profeet Ezechiël komen Josué regelmatig gezelschap houden, naast het bonte arsenaal aan hoeren, mediatycoons, presidenten, mariachi-spelers, gekken en misdadigers met wie Fuentes zijn roman bevolkt.

Alles in De wil en het lot is buitenmaats: de woordenvloed waarvan geen charme uitgaat, de fantasie die maar niet wil overtuigen, de groteske personages van wie er niet één tot leven komt – en vooral Fuentes’ kokette vertoon van eruditie. Van Spinoza gaat het naar Augustinus en Nietzsche, Van Max Planck naar Ortega y Gasset – en geen coup d’état kan voorbij komen of Fuentes laat iemand wel mompelen: ‘Techniek van de staatsgreep van Curzio Malaparte. Napoleon, Trotski, Pilsudski, Primo de Rivera, Mussolini..’