Een lichtvoetige exercitie in vrolijkheid

Tentoonstelling. Hans von Aachen (1552-1615); Hofkünstler in Europa. Suemondt-Ludwig-Museum, Aken. T/m 13/6. Inl: www.suermondt-ludwig-museum.de ****

Een van de meest getalenteerde en productieve kunstenaars in het Europa van omstreeks 1600 was de Duitse schilder Hans von Aachen (1552-1615). Hij maakte portretten van beroemde tijdgenoten zoals de beeldhouwers Giambologna en Adriaen de Vries en was lange tijd hofschilder van keizer Rudolf II.

Een van de vroegste werken die van de schilder bekend zijn, laat meteen iets zien van de onconventionele eigenzinnigheid en ambitie die Von Aachens oeuvre kenmerkt. Het is een klein paneel met de gezichten van twee jonge mannen die de beschouwer aankijken. Ze lachen uitbundig terwijl de een de ander van achteren met een speels gebaar in het oor knijpt. Een dergelijke ongedwongen, intieme pose, met breed lachende figuren is ongekend in de portretschilderkunst van die tijd.

Bij nadere beschouwing lijken de twee gezichten verdacht op elkaar, en tegelijk ook op een, veel ernstiger, zelfportret van de schilder. Het lijkt er dus op dat Von Aachen zijn eigen gezicht als uitgangspunt heeft gekozen voor een lichtvoetige exercitie in vrolijke gezichtsuitdrukkingen en een naturalistische weergave.

Van Aachen begon op 22-jarige leeftijd zijn indrukwekkende internationale carrière. De eerste etappe was Venetië, maar al snel daarna koos Von Aachen de weg die al vele noordelingen voor hem hadden bewandeld – om kennis te maken met werken van de grote meesters van de Renaissance en, vooral, de overblijfselen uit de klassieke oudheid, reisde hij naar Rome en Florence. In Italië bouwde hij een goede reputatie op: in Rome maakte hij een (niet meer bestaand) altaarstuk voor Il Gesù, de hoofdkerk van de jezuïeten, en in Florence schilderde hij een monumentaal portret van Francesco I de’ Medici. De groothertog zit er gemakkelijk bij in een grote leunstoel en is weergegeven met brede penseelstreken en warme kleuren – stijlkenmerken die Von Aachen in Venetië had leren kennen.

Hans von Aachen moet een kameleontisch vermogen hebben gehad zijn stijl in overeenstemming te brengen met de wensen en verwachtingen van zijn uiteenlopende broodheren. Na ruim tien jaar in Italië begon hij te werken voor kerkelijke en adellijke opdrachtgevers in de Zuid-Duitse steden Augsburg en München. De religieuze werken die hij daar maakte, zijn vaak eenvoudig van compositie en sober van kleur, geheel in lijn met de geest van de strenge contrareformatie, die zich in die streken sterk deed voelen. Het contrast is groot met de werken die Von Aachen maakte nadat hij in 1592 in dienst was gekomen van Rudolf II. De kunstlievende keizer was een vorst met een uitgelezen smaak, die kunstenaars uit heel Europa aan zijn hof verbond en het artistieke experiment aanmoedigde.

Von Aachen bleef tot zijn dood in 1615 in dienst van Rudolf en diens opvolger keizer Matthias, eerst als ‘Hofmaler von Haus aus’ – dat wil zeggen dat hij niet aan het hof hoefde te verblijven – en vanaf 1595 in Praag zelf. Vanaf die periode maakte hij zijn beste werken en ook in de expositie, die aan de hand van een betrekkelijk klein gedeelte van Von Aachens oeuvre een representatief overzicht geeft, is dit gedeelte het aantrekkelijkst. Grote schilderijen met thema’s uit de antieke godenwereld bijvoorbeeld, tonen elegante composities van porselein-achtige naakten met een onmiskenbaar erotische lading. Topstukken zijn twee dubbelzijdig beschilderde albasten platen van zo’n veertig cm hoog. In de vormgeving van de mythologische scènes heeft de schilder rekening gehouden met de kleuren, de grillige tekening en zelfs de doorschijnende kwaliteit van het extravagante materiaal.