Een eeuw arbeiderspaleis

Carol Schade: Jan Ernst van der Pek (1865-1919) Pionier van de volkshuisvesting. Stichting BONAS/NAi, 184 blz. € 29,50.

Mirjam Brinks: Van woning tot wonen. 100 jaar Van Beuningenstraat. Rochdale, 125 blz. Gratis bij info@rochdale.nl (zolang voorradig)

Er is wonderlijk weinig veranderd aan de eerste Amsterdamse woningwetwoningen. Dat is nog eens goed te zien in twee boeken Van woning tot wonen en Jan Ernst van der Pek. Pionier van de volkshuisvesting. In beide boeken staat een foto uit 1909 van het toen zojuist opgeleverde blok woningwetwoningen in de Staatsliedenbuurt, met de buurtbewoners ervoor. Van woning tot wonen eindigt bovendien met een foto van het blok, genomen vanaf bijna hetzelfde standpunt, maar dan een eeuw later.

De grootste verschillen zijn op straat te vinden. Aan het woningwetblok zelf is nauwelijks iets veranderd. De ramen zijn nu anders dan in 1909, evenals dakranden, raamlijsten en vensterbanken. Die zijn nu allemaal wit, terwijl ze een eeuw eerder gekleurd waren. Welke kleuren precies is op de zwart-wit foto niet te zien.

De geringe veranderingen zijn een groot compliment voor de architect van het blok, Jan Ernst van der Pek (1865-1919). Blijkbaar heeft hij een gebouw ontworpen dat gemakkelijk de tand des tijds heeft doorstaan. Van der Pek is de 46ste architect van wie de Stichting Bibliografïeën en Oeuvrelijsten van Nederlandse Architecten en Stedebouwkundigen (BONAS) in een mooi boek het complete oeuvre belicht. Meestal gaat het in de BONAS-serie om de minder bekende architecten. Maar dat wil nog niet zeggen dat hun werk ook tweederangs is. Dit geldt ook voor Van der Pek. Carol Schade laat zien dat hij niet alleen goede, sobere gebouwen ontwierp, maar ook dat hij in zijn tijd als een belangrijk architect werd beschouwd. Al vier maanden na zijn dood in 1919 werd een plein naar hem genoemd in een door hem ontworpen wijk in Amsterdam-Noord – tegenwoordig draagt zelfs de hele buurt zijn naam.

Al voor de beroemde woningwet in 1901 werd aangenomen, hield Van de Pek zich bezig met arbeiderswoningen. Die bouwde hij vooral in Amsterdam, aan bijvoorbeeld de Lindengracht in de Jordaan. Zijn magnum opus is het Amsterdams Tehuis voor Arbeiders uit 1918, aan de Marnixstraat.

Van der Peks tragiek is dat hij nooit uit de schaduw van zijn tijdgenoot Berlage is getreden. Net als de door hem bewonderde Berlage zag hij zichzelf als ‘rationalistisch’ ontwerper. Alleen kreeg hij nooit de grote, belangrijke opdrachten waarin hij kon excelleren. Hij was en bleef toch vooral de architect van arbeiderswoningen, waar weinig kunstzinnige eer aan te behalen viel. Dat maakte hem aan het einde van zijn leven wel eens moedeloos, schrijft Schade. Ze citeert architect Karel de Bazel die bij Van der Peks dood over hem schreef: ‘Wij konden hem in later tijd dikwijls hooren zeggen dat al je liefste intenties doodgedrukt of verrafeld werden.’

Hoe goed Van der Pek als ‘sociaal architect’ was, blijkt ook uit Van woning tot wonen, het boek dat woningbouwvereniging Rochdale liet maken ter gelegenheid van het eeuwfeest van het eerste Amsterdamse woningwetblok. Hierin laat Mirjam Brinks zien hoe gemakkelijk Van der Peks blok de 20ste eeuw doorstond. In de buurt is in de loop der tijd veel gesloopt, maar de eerste woningwetwoningen staan nog fier overeind. Zelfs in de jaren 80, toen de Staatsliedenbuurt de Kraakliedenbuurt was, werd ‘het arbeiderspaleis van Rochdale ontzien’, schrijft Rochdale-directeur Evert Bartlema, in de jaren tachtig zelf kraker, in zijn voorwoord.

In Van woning tot wonen heeft Mirjam Brinks tal van oude en nieuwe bewoners van het Rochdale-paleis geïnterviewd. Enkele oudere bewoners vinden dat de buurt vroeger gezelliger was. En Mohammed, die al zestien jaar in het blok woont, vindt zijn woning klein. Een krot, noemt hij zijn huis. Maar hij is de enige die klaagt. De rest van de bewoners woont er graag en heeft er niets op aan te merken. Zelfs na een eeuw blijken Van der Peks woningen nog altijd goede, goedkope huurwoningen.