De prins der zwartekunstenaars

Dodenbezweerder, alchemist, sterrenwichelaar – de Duitse wonderdoctor Faust (1480-1540) was van alle markten thuis. Maar het was zijn vermeende pact met de Duivel dat hem tot een van de geliefdste personages in het theater en de literatuur maakte. Op zoek naar de echte Faust, in zijn geboorte- en zijn sterfplaats.

Iedere tijd heeft zijn eigen Faust, zo hoor je wel eens zeggen. En inderdaad: de wereldberoemde magiër uit Zuid-Duitsland, die volgens de legende zijn ziel aan de duivel verkocht, was al bij zijn leven een figuur op wie mensen hun angst en woede projecteerden. Na zijn dood in 1540 werd hij zelfs een speelbal van maatschappelijke en politieke stromingen. Er was de renaissance-Faust, de romantische Faust, de nationalistisch-Duitse Faust, de nazi- Faust, de socialistische Faust en de postmoderne Faust. Zijn levensverhaal werd verteld en verfraaid door toneelschrijvers en poppenspelers, componisten en filmmakers, tekenaars en literatoren. Binnen een paar eeuwen groeide hij uit tot een van de populairste personages uit de westerse cultuur – niet alleen door zijn lef God uit te dagen en zich te verbinden met de Duivel, maar ook door het motief dat hij daarvoor had.

Faust wilde weten hoe de wereld in elkaar zat, en als dat niet lukte met behulp van de wetenschappen die de mens door God ter beschikking waren gesteld, dan moest het maar met duivelse methodes. Hij was ambitieuzer dan Icarus, tragischer dan Madame Bovary, intrigerender dan Heathcliff, daadkrachtiger dan Robinson Crusoe en romantischer dan de Graaf van Montecristo. En wat hem nóg bijzonderder als literaire held maakte, was dat hij echt had bestaan.

Iedere tijd heeft zijn eigen Faust, maar er was maar één tijd waarin hij werkelijk heeft geleefd: omstreeks 1500. En er is ook maar één plaats die kan claimen dat Faust er geboren is: Knittlingen. Tenminste, volgens Günther Mahal, de Duitse germanist die beschouwd wordt als de grootste kenner van de historische Faust. Dat Faust rond 1480 geboren is in het kleine stadje op dertig kilometer ten oosten van Karlsruhe staat voor hem vast. Mahal verhuisde in de jaren zeventig zelfs naar Knittlingen, en beijverde zich voor de oprichting van een Faust-studiecentrum in zijn woonplaats. Met succes.

En zo rijd ik op een mooie herfstochtend door het glooiende landschap van Baden-Württemberg – akkers, plukjes bos, kleine meertjes, af en toe een wijngaard – naar Knittlingen, waar Mahal een afspraak voor ons heeft gemaakt met de huidige bewoners van het huis waar Faust is geboren. “Allwo Fausten born,” zegt hij met enige nadruk, want deze drie Middelduitse woorden blijken de fundamenten onder de associatie van Faust met Knittlingen. Ze zijn afkomstig uit een ‘koopbrief’ die pas in de jaren dertig opgedoken is, uit een kist in de kelder van het raadhuis. Het uit 1542 daterende document regelde de verkoop van een huis met bijbehorende schuur ‘naast de kapel’, met als unique selling point het feit dat Faust er geboren was.

“Mooi ondersteunend bewijs,” doceert Mahal. “We hadden al een andere 16de-eeuwse bron waarin de humanist Melanchthon, die zelf hier in de buurt is geboren, vertelt dat Faust uit Knittlingen kwam. En in de Kaufbrief kan het alleen maar gaan om de Faust, die kennelijk minder dan twee jaar na zijn dood al beroemd genoeg was om een verwijzing als deze interessant te maken. Er wordt ook een naam genoemd van een andere overleden bewoner, een zekere Jörg Gerlach, en dus zou je kunnen denken dat we ook Fausts vader kennen – te meer daar Faust in de meeste bronnen Georg van voren heet. De theorie is dan dat hij een onecht kind was van Gerlach en de achternaam kreeg van zijn moeder, die misschien als huishoudster in het huis naast de kapel werkte.”

Ik zeg dat ik graag die Kaufbrief wil zien, maar het document is samen met een groot deel van de Knittlingse binnenstad verloren gegaan bij bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog. “Dat we de tekst nog kennen, danken we aan de burgemeester die er in 1934 een kopie van liet maken,” zegt Mahal. En hij vertelt dat ook Fausts geboortehuis de branden van het midden van de jaren veertig niet heeft overleefd. De geschiedenis herhaalt zich, want het Fausthuis was al drie eeuwen eerder, tijdens de Dertigjarige Oorlog, verwoest, waarna het op de oude fundamenten en met deels de oude materialen weer werd opgebouwd. Hoe Mahal dat weet? “Daarvoor gaan we juist naar het huis,” zegt hij triomfantelijk, terwijl we Knittlingen over een drukke weg binnenrijden en een standbeeld van Faust – met geleerdenmuts, toga en opgeheven hand – passeren. “Er zijn daar twee dingen gevonden die een connectie met de historische Faust doen vermoeden, en één daarvan was verstopt in een eeuwenoude dorpel.”

Door de Markstraat van Knittlingen, een druk maar zielloos plaatsje, lopen we naar een modern uitziend vakwerkhuis in pastelkleuren. Mahal belt aan, een kleine vrouw van een jaar of zeventig doet open, en voor ik het weet zijn we twee trappen opgelopen en staan we voor een hangkastje in de vorm van een davidsster. Het is gemaakt van donker hout, ongeveer een meter hoog en dertig centimeter diep, en wordt op de muur omringd door een soort bidprentjes met Faust-memorabilia. Het is ‘der Giftschrank Doktor Fausten’, het gifkastje van dokter Faust, legt Mahal uit. “Misschien wel uit de eerste helft van de 16de eeuw. Het is hier vlakbij in 1837 gevonden, begraven onder de vloer van de schuur achter het huis en beschermd door een dikke laag vet.”

Mahal wijst erop dat de vorm van de Giftschrank een davidsster is en geen pentagram, de vijfpuntige ster die van oudsher met de Duivel verbonden is. Maar, zegt hij, ook een hexagram was een magisch symbool, aangezien de alchemisten in Fausts tijd zeer geïnteresseerd waren in de joodse mystiek. Op mijn vraag of het kastje ooit op ouderdom is onderzocht, antwoordt Mahal dat het het huis nooit heeft verlaten sinds het – hoogstwaarschijnlijk tijdens de Dertigjarige Oorlog – onder de grond werd gestopt. “Je zou het natuurlijk dendrochronologisch kunnen laten dateren, maar eigenlijk win je daar niet zoveel mee. Stel dat de notenboom waarvan het gemaakt is van na Fausts dood dateert, dan nog is het interessant dat het kastje hier is gevonden. Dit was een heilige plaats, een bedevaartsoord voor alchemisten. Dat blijkt trouwens ook uit de andere vondst die hier bijna negentig jaar geleden in huis is gedaan: een perkamenten briefje met magische formules.”

Een halfuur later zal ik dit geheimzinnige Perkamentzettel zien liggen – in een vitrine in het Knittlingse Faustmuseum: 35 bij 60 millimeter groot, met een hapje uit de linkerkant en praktisch helemaal volgekrabbeld met plusjes, cijfers en letters waar de codebrekers van Dan Brown nog jaren werk aan zouden hebben. Het ligt tussen de boeken, landkaarten, prenten en (kopieën van) documenten die een beeld gegeven van de historische context van het leven van Faust en het ontstaan van zijn legende.

Van Mahal begrijp ik dat uit de periode van Fausts leven negen onweerlegbare bronnen zijn overgeleverd waarin de Schwarzkünstler met naam en toenaam wordt genoemd. De meeste zijn extreem kort; de langste – en oudste – tekst komt uit een brief van een beroemde tijdgenoot van Faust, de abt en bibliofiel Johannes Trithemius. Op 20 augustus 1507 antwoordt hij in het Latijn een Heidelbergse hoogleraar, die hem kennelijk heeft gevraagd of hij wel eens heeft gehoord van ene Georgius Sabellicus, de zelfverklaarde ‘Faustus iunior, bron van de zwartekunstenaars, astroloog […], handlezer, luchtwichelaar, vuurduider.’ Trithemius gaat er eens goed voor zitten. In een regel of vijftig veegt hij de vloer aan met deze ‘vagebond, zwetser en landloper’ die het heeft gewaagd zichzelf de ‘prins der dodenbezweerders’ te noemen.

Pure Rufmord, zo suggereert Günther Mahal. En vérstrekkend ook, want veel van de latere bronnen over Faust hebben Trithemius’ vooroordelen klakkeloos overgenomen. Dit in tegenspraak met de bronnen waaruit we zouden kunnen opmaken dat Faust gerespecteerd werd door kerkelijke én wereldlijke leiders, en dat hij een ster was in het maken van horoscopen en het doen van zinvolle voorspellingen. Maar hoe onbetrouwbaar Trithemius als getuige ook is, zijn brief is voor de Faust-Forschung van onschatbare waarde. Hier maakt een jonge Faust zijn opwachting, een reizende entertainer die, zo kun je opmaken uit de formuleringen van Trithemius, zijn talenten (en trucs) nog moet aanprijzen in openbare gelegenheden en op visitekaartjes of theaterbriefjes die hij in de Duitse steden verspreidde.

Wie weinig bronnen heeft moet ermee woekeren, en niemand die dat zo elegant heeft gedaan als Mahal. “Die negen bronnen zijn momentopnamen, secondenbelichting,” geeft hij toe. “Faust blijft in het donker.” Na zijn dood, en voordat hij in 1587 in het door Johann Spies uitgegeven volksboek definitief als legende werd bijgezet, dook de zwarte magister nog een tiental keer op, in geschriften van verschillende aard. Een van de meest intrigerende ‘secundaire’ bronnen is een lijst met abten van het klooster Maulbronn. De achtste Johannes die daarin genoemd wordt, heet Entenfuss en is gestorven in 1525; achter zijn naam staat als toegift: ‘ist Dr. Fausten dess Zauberers Collega gewesen, welcher diesen Abbte zu Maulbronn besucht.’ Omdat Johannes Entenfuss in 1512 abt werd en zes jaar later weer tot gewoon monnik werd gedegradeerd, kun je uit de aantekening in het ambtenarenboek opmaken dat Faust rond 1517 in het klooster is geweest.

Mahal vertelt dat er over dat verblijf mondelinge overleveringen bestaan die zijn terug te voeren tot de 16de eeuw. Entenfuss zou diep in de schulden hebben gezeten en ten einde raad zijn vriend Faust, een kennis uit zijn tijd op de Latijnse school in Knittlingen, naar het klooster hebben gehaald om goud voor hem te maken. Misschien kwam dat Faust goed uit; het lijkt erop dat de rondreizende magiër van tijd tot tijd de luwte opzocht om uit handen van de inquisitie of ontevreden klanten te blijven.

De alchemistenkeuken die ooit binnen de muren van Maulbronn stond, werd in de 19de eeuw ontmanteld. Maar dat maakt een bezoek aan het in 1147 gestichte cisterciënzer klooster niet overbodig. Faust heeft er immers gewerkt. Bij de poort van het ommuurde complex neem ik afscheid van Günther Mahal. Hij tempert mijn verwachtingen over wat ik intra muros aan Faustsporen kan vinden. Terecht. De onderaardse gang waardoor de alchemist volgens de volksverhalen ’s avonds uit het klooster ontsnapte om zich tegoed te doen aan de Knittlingse wijn is nooit gevonden. Een grote bloedvlek die in de 19de eeuw nog als een bewijs van zijn aanwezigheid aan toeristen werd getoond, verdween bij een restauratie. En de woontoren aan de oostkant die tegenwoordig Faustturm wordt genoemd, heette tweehonderd jaar geleden de Lustturm. In de tijd van Faust was het nog gewoon een verdedigingswerk, de woonbestemming blijkt van een eeuw later te dateren.

De wereld was hard aan het veranderen omstreeks 1518, toen Faust – zo nemen we aan – na een jaar van alchemistische experimenten het klooster Maulbronn verliet. Te midden van alle sociale onrust – de strijd tussen koning en keizer, tussen boeren en heren, tussen katholieken en protestanten, tussen christenen en moslims – profileerde hij zich als dokter, astroloog en magiër. En hoewel hij niet te beroerd zal zijn geweest om op jaarmarkten de horoscoop van een burger te trekken, bewaarde hij zijn kennis bij voorkeur voor de hogere standen die er goed voor betaalden. Zo kwam Faust aan het eind van zijn leven ook als hofalchemist bij de verarmde heren van het Zuid-Duitse Staufen terecht. Het plaatsje in de Breisgau zou het toneel worden van zijn veelbesproken einde.

De burcht van de Staufens, sinds de Dertigjarige Oorlog een ruïne, domineert vanaf zijn perfect halfronde heuvel het omringende landschap – fruitbomen, grazige weiden, een enkel aspergeveld en veel wijngaarden, waarvan een deel zich als een slakkenhuis om de burchtheuvel windt. Het dorpje Staufen ligt aan de voet; in bijna alle straten van het historische centrum, deels voetgangersgebied, zie je het kasteel oprijzen. Op de Marktplatz bevindt zich Gasthaus zum Löwen, een rechthoekig huis van vier verdiepingen met een roodgrijs leistenen dak en een met seringen begroeid balkon. Boven de ingang aan de zijkant is een precieuze muurschildering aangebracht van een duiveltje en een blonde man die gewurgd wordt door een ventje in zwartepietenpak – Mephistophiles, meldt een bijschrift uit 1909 in gotische belettering. Verbeeld is de doodsstrijd van Doctor Faustus, van wie ‘nadat het pact van 24 jaar verlopen was, de nek gebroken en de arme ziel overgeleverd werd aan de eeuwige verdoemenis.’

Ik heb in het Gasthaus (‘seit 1407’) een kamer geboekt. Niet zomaar een, maar kamer 5 op de derde verdieping – daar waar Faust volgens latere legendes (plastisch beschreven in de Historia van 1587) door de Duivel gehaald werd:

‘Plotseling gaat dr. Fausts kamerdeur open en hij begint hulp! en moord! te schreeuwen, maar ternauwernood met halve stem. Kort daarna hoort men hem niet meer. Toen het vervolgens dag was geworden, gingen de studenten, die de hele nacht niet geslapen hadden, naar de kamer waar dr. Faust geweest was. Ze zagen echter geen Faust meer, niets, want de kamer was vol bloed gespat. De hersenen kleefden aan de muur, omdat de Duivel hem van de ene muur tegen de andere geslagen had.’

Wie niet aan geesten en duivels gelooft, zoals de meeste moderne historici, heeft twee verklaringen tot zijn beschikking. Faust kan het slachtoffer zijn geworden van een roofmoord, gepleegd door iemand die dacht dat de gevierde magiër veel geld in zijn kamer verborg. Of, en dat is een nóg prikkelender hypothese, Faust is omgekomen door een mislukt experiment: een paar standaardingrediënten uit de alchemistenkeuken (zwavel, salpeter, houtskool) die een explosieve verbinding aangingen. Hoe dan ook zou Faust zonder zijn gewelddadige dood – en vooral zonder de vermeende duivelse bemoeienis ermee – nooit een tweede leven als legende hebben gekregen.

‘Sie sahen aber keinen Faustum mehr.’ De mooiste regel uit het slot van de Historia spookt door mijn hoofd als ik wandel door de stille straatjes van Staufen, met hun keurig gepleisterde en geverfde huizen, waarvan er sommige – zeer atypisch, zeer on-Duits – een flinke scheur vertonen. Het doel is de burchtruïne die ik voortdurend in de verte, en vanuit het raam van mijn kamer, heb zien liggen. Je kunt hem beklimmen via de trap in de oude donjon, om je heel even Faust te voelen die ontvangen wordt door de heren van Staufen. Enige fantasie heb je daarvoor wel nodig, want na bijna vijfhonderd jaar zijn de sporen uit de tijd van Faust verdwenen. Of je het nu zoekt in de burchtruïne, die grondig presentabel werd gemaakt in 1896, of in Zum Löwen, dat een schepping is van dezelfde periode, je ziet nog minder van Faust dan de studenten die na zijn hellenacht zijn kamer betraden.

Twee maanden na mijn terugkeer uit Staufen kom ik erachter dat ik tóch iets faustiaans niet heb opgemerkt. Tijdens een interview met de filosoof Rüdiger Safranski vertel ik dat ik Faust gevolgd ben tot in Staufen. Ja, Staufen im Breisgau, dat kent Safranski wel. Mooi stadje, maar dezer dagen komen er voornamelijk ramptoeristen. In het voetspoor van Faust? vraag ik. Was dat maar waar, zegt Safranski. De bodem onder de Altstadt komt langzaam omhoog, huizen en straten scheuren – het gevolg van een boring naar aardwarmte die onvermoede krachten heeft losgemaakt. Hoe ecologisch idealisme tot een nachtmerrie kan leiden. “Man hat die Hölle angebohrt, und jetzt beginnt’s zu zittern.”

Hoe kan ik het gemist hebben? Als ik thuis achter de computer de zoektermen Staufen, Bohrungen en Risse invoer, krijg ik een lading berichten en reportages op mijn scherm, met dreigende koppen als ‘Scheuren gaan als een monster door de stad’, en ‘Ramptoerisme bij de Oberrhein’. Toen ik de nacht in Staufen doorbracht, was de bodem al 14 centimeter gestegen en waren er 167 huizen beschadigd. Nu zitten er scheuren in meer dan tweehonderd huizen, en blijft de stijging doorgaan met een centimeter per maand. De burgemeester, die voor ieder televisieprogramma wordt gefilmd voor een andere scheur in zijn oude raadhuis, heeft hoogstens een vermoeden wat er is gebeurd. De boor heeft op 140 meter diepte water geraakt dat is doorgesijpeld naar een bovenliggende laag anhydriet, oftewel watervrij calciumsulfaat. In fijngemalen vorm kun je dit mineraal als cement gebruiken, maar als er ondergronds water bijkomt, reageert het tot gips en neemt het volume met 50 procent toe. Staufen wordt dus omhoog geduwd, zolang er anhydriet is om zich met water te vermengen – of omgekeerd.

‘Die Rache des Mephisto’ noemde Rüdiger Safranski het. Alsof die zijn vergelding niet al in 1540 had gehad.

Dit artikel is een sterk verkorte bewerking van de eerste twee hoofdstukken van De duivelskunstenaar – De reis van Doctor Faust door 500 jaar cultuurgeschiedenis (Prometheus / NRC Boeken, 250 blz. € 17,50), een literair non-fictieboek van Pieter Steinz dat morgen verschijnt.Het is tevens de laatste aflevering van een serie over literaire helden met historische wortels, waarin aandacht was voor Uilenspiegel, Leonidas, Golem, Macbeth, Don Juan, Brandaan, Münchhausen, Tell, Hood, Cyrano en Arthur.